Franciscus en de sultan – de feiten

Op grond van de Eerste levensbeschrijving die Thomas van Celano (een broeder-vriend van Franciscus) onmiddelijk na de heiligverklaring van Franciscus in 1228 in opdracht van de paus heeft geschreven, lijkt het waarschijnlijk dat Franciscus maar liefst drie pogingen heeft ondernomen om in gebieden onder moslim-bestuur binnen te geraken. Ze worden alle drie verbonden met Franciscus’ missie om in levende lijve (= op ‘franciscaanse wijze’) te getuigen van Christus en God. De data in dit overzicht zijn educated guesses van moderne historici.

De eerste keer probeert Franciscus in de herfst van 1212 per schip naar Syrië te gaan. Dit valt (toevallig?) ongeveer samen met de periode van de ‘kinderkruistochten’ (pueri in het Latijn). Een periode van grote maatschappelijk onrust in Europa, veel armoe, waarin groepen wanhopige jongeren, geïnspireerd door een charismatische of profetische figuur vanuit Frankrijk en Duitsland het heilige Land proberen te bereiken. Anders dan de ‘officiële kruistochten’ een volksbeweging , bottom-up. Inderdaad: Franciscus staat er niet zover vanaf. Enfin, hoe het ook zij: Door tegenwind strandt Franciscus op de kust van Dalmatië en dat jaar gaat er geen schip meer naar de Oriënt. Daarop besluit hij naar Italië terug te keren.
De tweede poging moet waarschijnlijk geplaatst worden na de beslissende slag in de Spaanse kruistocht tegen de Moren (1212, bij Las Navas de Tolosa). Dan zijn de machtsverhoudingen op het Iberische schiereiland veranderd en is het goed voorstelbaar dat Franciscus (dus ca. 1213-1214) via Spanje op weg gaat naar de Saracenen in Marokko. Hij strandt in Spanje, waar een ernstige ziekte hem dwingt zijn project te staken. God heeft hem nog niet waardig gekeurd om martelaar te worden, is zijn conclusie (aldus Celano). Of Franciscus het zelf ook zo beleefde is daarmee nog niet gezegd.
Maar de derde keer is het raak. In 1219 vertrekt hij naar Egypte in het spoor van de vijfde kruistocht (1217-1221). Kruisvaarders uit Hongarije, het Duitse Rijk, de Lage Landen, Engeland, Frankrijk en Italië bevinden zich dan in Egypte en lijken aan de winnende hand. In 1219 omsingelen de kruisvaarders het versterkte Damiate, waar de sultan zich bevindt. De sultan zit in slechte papieren en biedt zelfs Jeruzalem aan in de onderhandelingen, als losprijs voor hun aftocht. In die periode (precieze datum is niet te geven) verschijnt Franciscus ten tonele.

Laten we de feiten op een rijtje zetten. De bronteksten (vita & legenda) van Thomas van Celano en Bonaventura kunt u hier lezen. Daarnaast zijn er nog enkele contemporaine bronnen: een brief – in twee versies – van Jacques de Vitry en een uitgebreide passage in een contemporaine kroniek – de zogeheten Chronique d’Ernoul. Naast deze originele teksten heb ik nog volgende secundaire literatuur geraadpleegd:

  • John V. Tolan, Saint Francis and the Sultan. The Curious History of a Christian-Muslim Encounter, Oxford University Press, 2009, pp. 19-72.
  • André Vauchez, Francis of Assisi. The Life and Afterlife of a Medieval Saint (tr. Michael F. Cusato), University Press, 2012,  pp. 80-94.
  • Barbara Bombi, ‘The Fifth Crusade and the conversion of the Muslims’, in E.J. Mylod, Guy Perry, e.a. (eds), The Fifth Crusade in Context. The Crusading Movement in the Early Thirteenth Century (Routledge, 2016)

Franciscaanse bronnen

In de zomer van 1219, arriveert Franciscus samen met een andere frater in het kruisvaarderkamp bij Damiate (Damietta, Dimyat). Opvallend: Thomas van Celano vermeldt de belegering van Damiate niet in zijn vita prima. Daar heeft hij het enkel over Syrië, maar bedoelt waarschijnlijk Egypte. Je vindt bij Celano wel meer ‘topoi’, d.w.z. cliché-achtige stukken met weinig aandacht voor de feitelijke détails. Interessant is ook zijn Memorial (meestal Vita secunda genoemd): herinneringen aan Franciscus. Daarin komt namelijk een passage voor, waarin Franciscus de mislukking van een aanval op Damiate voorspelt. De tekst en bespreking hieronder. Bonaventura heeft het een halve eeuw later (!)  in de officiële biografie over Franciscus’ bezoek aan de sultan van Babylon. De feitelijke slordigheden terzijde gelaten, komt volgend beeld naar voren:

Tijdens de belegering van Damiate (zomer 1219) zou Franciscus op een bepaald moment het kamp verlaten hebben om naar de sultan te gaan. Dat moet dan sultan Al Malik Al-Kâmil zijn geweest (een neef van Saladin). Aan diens hof zou dan de ontmoeting hebben plaatsgevonden die in de diversae vitae/legenda wordt verteld.

Een fascinerend verhaal, inderdaad, maar echt gebeurd en – zo ja – valt er nog iets meer over te zeggen? Wat was zijn bedoeling eigenlijk?
Kunnen we daarover nog iets zinnigs zeggen na 800 jaar ? Daarbij moeten we oppassen met de verklaring die de bronnen zelf geven.  De franciscaanse bronnen vullen het gebeuren aan/in (met fragmenten van gesprekken, een weigering van een vuurproef, en hoezeer de sultan onder indruk was, nog wat later komen er mirakels bij). Fake news is geen 21ste eeuws uitvinding, de ‘heiligenlevens’ grossieren erin. Om van spin-doctors nog maar te zwijgen, zeker als iemand heilig-verklaard is (of gaat worden). Met dat in het achterhoofd is de teneur van de franciscaanse heiligenlevens wel duidelijk. Zij zijn eensluidend in hun framing.

Zij duiden het gebeuren als een ‘evangelisatie-actie’ van Franciscus. Zijn diepste motivatie : Hij verlangde er vurig naar ‘bloedgetuige’ (martelaar) te mogen worden. Vanuit dit perspectief is de afloop wat teleurstellend en ongemakkelijk. Er vindt een ontmoeting plaats. Franciscus preekt, daagt de islam-collega’s uit middels een vuurproef, maar de sultan – hoewel onder de indruk – bekeert zich niet echt èn Franciscus en zijn broeder overleven het. Ze worden niet gedood. (Lees de teksten op de reeds geciteerde webpagina er nog maar eens op na). Dat de sultan erdoor veranderd zou zijn wordt gesuggereerd door te verwijzen naar zijn gematigde houding later in de strijd.

Andere bronnen

Er zijn ook nog andere (christelijke, maar niet franciscaanse) bronnen die dit exploot beschrijven en becommentariëren. Zo is er een vrij zakelijke opmerking in een brief uit 1220 van Jacques de Vitry en – vooral – een uitgebreid verhaal in de Chronique d’Ernoul.

Beide niet franciscaanse bronnen
1. bevestigen het feit van de aanwezigheid in het kamp van Franciscus en een mede-broeder;
2. vinden de idee om naar de sultan te gaan onverantwoord;
3. geven als motivatie dat Franciscus de sultan wil overtuigen van de waarheid van de christelijke religie.
Dat laatste is dan Franciscus’ versie van (of bijdrage aan) de kruistocht.

Jacques de Vitry meldt dat Franciscus een gesprek met de de sultan heeft gehad, waarin die laatste gevraagd zou hebben om te bidden dat hem de ware religie (de termen: lex en fides worden hiervoor gebruikt) geopenbaard zou mogen worden. Daarna worden de minderbroeders teruggestuurd. Niks over een vuurproef. Dit is allemaal eigenlijk wel voorstelbaar. De Chronique d’Ernoul heeft eenzelfde teneur. Het verslag lijkt te zijn gebaseerd op het verhaal zoals het in het kruisvaarderskamp zelf is beleefd/verteld. Belangrijk: De auteur is geen geestelijke, maar een militair. Hij geeft blijk van kennis van islamitische titulatuur en gebruiken: de term voor islam-geleerde: qâdî, komt letterlijk in de tekst voor en het ambt van de sultan als opperrechter Saîf al-Dîn wordt letterlijk vertaald in de tekst: ‘het zwaard van de wet’).

De auteur schetst het beeld van twee tamelijk eigenzinnige, om niet te zeggen, brutale westerse bedelmonniken, die – ondanks dat ze geen toestemming krijgen van de commander in chief (kardinaal Pelagius) – toch besluiten om naar de sultan te gaan om hem te overtuigen van de superioriteit van het christelijk geloof. Ze worden natuurlijk meteen gearresteerd en voorgeleid. (Geen woord over mishandeling, zoals in de franciscaanse bronnen). Bij de sultan aangekomen, verkondigen ze luid en duidelijk dat de ziel van de sultan zal verloren gaan als hij zich aan zijn wetten houdt. Ze willen met hun moslim-collega’s een debat over de ware godsdienst. De qâdîs, islamgeleerden en raadslieden van de sultan, reageren verontwaardigd en eisen de doodstraf verwijzend naar hun wetten en Mohammed. De sultan blijkt grootmoediger dan zijn adviseurs en probeert de beide monniken nog te verleiden om te blijven door ze geschenken aan te bieden (Hij zag blijkbaar een propaganda-mogelijkheid). Als ze die resoluut weigeren, stuurt hij ze onder militaire begeleiding terug naar het kamp van de kruisvaarders.

In deze kroniek komt het dus niet tot een debat, en is er ook geen sprake van een privé-gesprek tussen de sultan en Franciscus, waarin deze om zijn gebed vraagt. De missie is mislukt. Hier de hele tekst van deze kroniek in het Engels.

Islamitische bronnen zijn er niet, hoewel er wel degelijk geschiedschrijving is. Het was dus in hun ogen niet meer dan een fait divers.

Een bloei aan legenden

De overlevering dat Franciscus ooit naar ‘de sultan’ is gegaan om hem te bekeren, heeft vervolgens tot een enorme bloei aan legenden geleid, de één nog fantastischer dan de ander. Het mooist en meest geliefd is de overlevering uit de ‘Fioretti’ (Bloemlezing van anecdotes en mirakels, verricht door Franciscus) over de bekering van een Egyptische prostituée (eind 14de eeuw).

Conclusie

Dàt Franciscus zich onder de moslims heeft begeven en dat ook andere broeders dat hebben gedaan, staat vast. De zogeheten regula non bullata, c. 16  levert hiervoor nog een secundair bewijs omdat zij specifieke regels bevat over: ‘hoe te leven onder de Saracenen’. In 1220 hebben vijf broeders dat met dood bekocht. Zij zin in Marokko onthoofd. Dat Franciscus in 1219 dus zelf een poging heeft gedaan om de sultan te bereiken bij het beleg van Damiate, lijkt mij bewezen. Maar daar houdt de feitelijke kennis op. Alles wat men er nog meer over zegt is legende (al dan niet met een kern van waarheid, die nooit meer te achterhalen zal zijn) en moet dus met de nodige omzichtigheid geciteerd worden. Zeker als men de motieven van Franciscus meent ter sprake te moeten brengen.

Context: de militaire situatie

Sultan al-Kamil zit op dat moment in slechte papieren. De val van Damiate is nog slechts een kwestie van tijd. Hij biedt de kruisvaarders het rijk van Jeruzalem aan (ja, echt waar!) in ruil voor hun aftocht uit Egypte. Zijn voorstel wordt waarschijnlijk mede ingegeven doordat er een vreselijke hongersnood dreigt in een groot deel van Egypte. Franciscus heeft volgens de tweede vita in die diplomatieke kluwen die daarrond onstaat, geprobeerd een rol te spelen (Ik stelde al eerder vast: in de eerste vita van 1228 geeft Thomas van Celano geen nadere aanduiding van tijd en omstandigheid). Anders dan men meestal schrijft, staat er nergens vermeld dat hij de leiders van de kruistocht wil overhalen om dit vredesvoorstel van de sultan te accepteren. Het enige dat Celano vertelt in zijn tweede vita (2 deel 2, caput IV – ‘Hoe Franciscus de toekomstige nederlaag van de christenen bij Damiatum voorspelde’) is dat Franciscus afraadt om op een welbepaalde dag ten strijde te trekken, omdat dat niet goed zal aflopen. Hier de passage (en in de voetnoot het Latijnse origineel):

Franciscus pacifist ? Zijn advies om niet ten strijde te trekken

“Toen hij vernam dat de onzen (= de kruisvaarders) zich aan het voorbereiden waren om op een bepaalde dag slag te gaan leveren, werd de heilige door droefheid overmand. En hij zei tot zijn reisgezel: Gaat men werkelijk op die dag het gevecht aan – zo heeft God mij getoond – dan loopt het uit op een nederlaag voor de christenen. Maar, als ik hen dit vertel, zullen ze mij voor gek verslijten. Zwijg ik echter, dan zal ik in conflict komen met mijn geweten. Wat denk jij dat ik moet doen?’ – Zijn metgezel gaf hem ten antwoord: ‘Vader, trek u niets aan van het oordeel van de mensen. Het is immers niet voor het eerst dat men u voor gek verslijt. Ontlast uw geweten: Vrees God meer dan de mensen.” 1

Zogezed zo gedaan. Maar de bevelhebbers willen niet luisteren en tijdens de veldslag die volgt op die dag (volgens historici moet dat dan 29 augustus 1219 zijn geweest) leidt het christelijk leger zware verliezen. Als dit bericht Francisus bereikt, leidt dit opnieuw tot een hevige gemoedsbeweging. Hij heeft verdriet om de slachtoffers en toont vooral veel compassie voor de Spanjaarden omdat zij hun overgrote ijver hadden moeten bekopen met zeer zware verliezen.

Ik noteer: Franciscus is bij Damiate bezorgd om het lot van de christenen èn begaan met de overwinning van de christenen. In zijn door God ingegeven militaire advies zal de voorgenomen veldslag tot een nederlaag lijden. Daarom moet het voorstel van de sultan aanvaard worden. Punt aan de lijn. Geen pacifist, geen vredesapostel, ook geen getuigenis tegen de kruistocht op zich. Enkel verzet tegen een veldslag op een specifieke dag. Celano laat het hierbij wat Franciscus, de sultan en de kruistochten betreft.  Zouden wij ook moeten doen, lijkt me.

Friezen vallen de toren van Damiate aan (ms. 13de eeuw)

TOEMAATJE: Hoe ging het verder? Na een belegering van 9 maanden wordt op 5 november 1219 Damiate ingenomen. Na de val en de plundering biedt sultan al-Kamil de kruisvaarders de teruggave van Jeruzalem, Bethlehem, Nazareth en het ‘ware kruis’ aan in ruil voor hun aftocht uit Egypte. Maar de pauselijke gezant, Pelayo (Pelagius), blijft zich verzetten tegen elk compromis; hij ziet de kans schoon om Caïro te veroveren. Door gebrek aan versterkingen (logistiek probleem, zoals zovaak) raakt hij echter ingesloten en moet hij in 1221 instemmen met een vernederende ruil: een vrije terugtocht tegen hun algehele vertrek uit Egypte.

Voetnoten

  1. hier het hele stuk. De inleiding plaatst de reis naar de sultan opnieuw in het perspectief van het verlangen naar het martelaarschap. Ik heb ook de vele schriftverwijzingen die in de kritische editie staan, behouden. Dan zie je de inspiratiebron. TITEL: Quomodo apud Damiatam Christianorum stragem futuram praedixit — Tempore quo Damiatam Christianorum exercitus obsidebat, aderat sanctus Dei (cfr. 4Re 4,9; Mar 1,24) cum sociis suis: siquidem fervore martyrii mare transierant. Cum igitur ad diem belli nostri pararentur (cfr. Prov 21,31) in pugnam, audito hoc, sanctus vehementer indoluit. Dixitque socio suo: «Si tali die congressus fiat, ostendit mihi Dominus (cfr. 4Re 8,10), non in prosperum cedere (cfr. Num 14,41) Christianis. Verum si hoc dixero, fatuus reputabor; si tacuero, conscienti­am non evadam. Quid ergo tibi videtur?» Respondit socius eius dicens (cfr. Luc 3,16): «Pater, pro minimo tibi sit ut ab hominibus iudiceris (cfr. 1Cor 4,3), quia non modo incipis fatuus reputari. Exonera conscientiam tuam, et Deum magis time quam homines (cfr. Luc 12,4-5; Act 5,29)».

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.