God, hoe bedoel je?

Stel dat je nieuwsgierig bent naar God, en je zou hem (haar? het?) dus wel eens willen ontmoeten, dan zou het handig zijn van te voren al een idee te hebben naar wie of wat je eigenlijk moet uitkijken. Enkele typische kenmerken dus van ‘G’d’. 

Er is echter een probleem: Op de vraag ‘Wie of wat is God?’ lopen de antwoorden erg uiteen. En – zo zeggen velen – een definitie van God is per definitie onmogelijk. En voor je het weet, raak je verstrikt in allerlei netelige filosofische kwesties en zie je door de bomen het bos niet meer. Allemaal niet echt praktisch als je aan een zoektocht wilt beginnen. Kan het ook anders? Ja, want:

Wat wij God noemen, bestaat in elk geval niet zoals gewone objecten bestaan…

Dit is de insteek van godsdienstwetenschapper John Bowker (*1935) in zijn korte boekje: God, A very short introduction (Oxford 2014). ‘God bestaat niet zo zoals men zich hem (haar/het?) voorstelt’. Dat zijn maar ‘benaderingen’, ‘woorden’. De methodische twijfel is ook de basis van echte theologie: ‘Is wat wij doen/zeggen over G’d eigenlijk wel helemaal in orde? Laat ik het eens onderzoeken en proberen uit te leggen (fides quaerens intellectum)’, zegt de Anselmus en vele anderen met hem. En dan gaat het dus niet echt over Gods bestaan, maar over de ‘fenomenen in onze werkelijkheid ‘ die men met God verbindt. Dan gaat het over over creativiteit en de orde van het zijn, over inspiratie en voortgaande schepping; over menselijkheid, mens-wording en mens-zijn.

The invisible man en de kleren van God.

Nadat hij de antwoorden van de diverse religies (mensenwerk) op de godsvraag heeft geschetst, keert hij terug naar de inleiding en herneemt hij de oervraag: de (her)kenbaarheid van God. Als voorzet citeert hij een passage uit de bekende roman van H.G. Wells, The invisible man. Die staat – net als god – voor het probleem hoe hij – onzichtbaar zijnde – in contact kan komen met de mensen. In hoofdstuk 3 loopt the invisble man onzichtbaar rond, zonder kleren, zonder geld. Radeloos breekt hij op een nacht in in een kledingwinkel, graait wat kleren bijeen en trekt die aan. ’s Ochtends zien de mensen dat er ingebroken is. Ze reageren verschrikt, maar toen, zo vertelt de onzichtbare: ontdekte iemand me en riep: ‘Daar is hij!’. Toen hij zich voordeed als een mens, werd hij ontdekt/gezien. Dit beeld grijpt Bowker aan om over de kenbaarheid van God te spreken. God kan immers ook niet op een zichtbare manier aan ons gepresenteerd worden. Hij is geen object.  Hij is ‘onzichtbaar’ zeggen theïstische religies unisono: ‘Niemand heeft ooit God gezien’ (1 Johannes 1:18); ‘Zijn vorm (rupa) is niet te zien; niemand ziet Hem met het oog’ (Shvetashvatara Upanishad 4.20); ‘Aïsja zei: “Als iemand jou vertelt dat Mohammed zijn Heer heeft gezien, is hij een leugenaar, want God zegtHem bereiken de blikken niet, maar Hij bereikt de blikken wel.”’ (islamitische overlevering, Sahih al-Bukhari, Vol. 9, Boek 93, Hadith 477, citaat Koran 6:103).

Maar dan is het terecht om te vragen: How on earth can God be known ? Dat kan dus alleen indirect, via de ‘weg der middelen’ zoals men vroeger vaak zei. God kan gekend worden door effecten ‘in de wereld’ die een voortvloeisel zijn van wat wij God noemen, wat rond dat woord geschiedt, althans wat wij ‘daarrond waarnemen’. Filosofisch gezegd: God volgt uit de gevolgen. Hij wordt afgeleid uit wat er in de wereld gebeurt (abductie). Filosofen zullen waarschuwen voor cirkelredeneringen en tautologieën, maar zolang er geen massieve feitelijke claims volgen, lijkt me zo’n methode verdedigbaar. Je biedt immers een interpretatie aan van verschijnselen, die iedereen kan waarnemen. De feitenlijke wereld zoals hij verschijnt, blijft primordiaal. In deze vorm van  theologie is geen Hegeliaanse dwang (verwijzend Hegel die ooit geantwoord zou hebben – toen iemand opmerkte dat diens theorie niet klopte met de feiten: ‘des te erger voor de feiten!’). God heeft zich in de wereld begeven en zoals the invisible man kleren bijeengegraaid zodat mensen ‘die ogen hebben om te zien’ hem/haar/het kunnen zien en uitroepen: ‘Kijk: daar is God!’

Wat zijn dan die kleren die God in onze ogen realiteit verlenen, ècht maken? Of, minder metaforisch : Wat zijn de verschijnselen/effecten waardoor God kenbaar wordt? Het antwoord hierop kan een eindeloze opsomming worden, maar John Bowker – na een levenlang met godsdienstige fenomenen te zijn bezig geweest – meent dat alles waar men in de loop van vele eeuwen naar heeft verwezen, in drie hoofdgroepen kan worden ondergebracht, elk met z’n eigen bijzonderheid. Hij voegt wel toe dat ze niet perse in alle religies voorkomen, en dat ook het gewicht, het accent onderling nogal kan verschillen.

Het gewaad van de schepping (de orde, schoonheid, en betrouwbaarheid van al wat is)

Dit kledingstuk van de onzichtbare God speelt in de christelijke traditie een grote rol, maar wordt sinds de 19de eeuw vaak misbegrepen. Dan gaat het enkel nog over de oorsprongsvraag (schepping of evolutie). In die valkuil trapt Bowker niet. Het gaat niet om de discussie over het (principieel onkenbare) begin, maar om de schoonheid, de orde, de betrouwbaarheid, de uitgestrektheid van het universum. God verschijnt in de verwondering van mensen, dàt er iets is, en niet niets. Filosofen en dichters – en gelovigen in het algemeen – bespelen dit register op heel verscheiden manieren en met gebruikmaking van zeer uiteenlopende taalregisters. Voor christenen is het nog altijd de eerste uitspraak van het Credo, een uitspraak van geloofsvertrouwen, belijden dat je fiducie hebt in al wat is: God, Schepper. De koran noemt het tekenen (ayat, hetzelfde woord als voor de verzen van de soera’s in de koran wordt gebruikt). Het is in de samenhang van alles dat we in de wereld en het leven ontdekken, dat we G’d menen te zien. Hij (het, Zij) is er wanneer we waarheid, schoonheid en goedheid ontdekken en leren waarderen als levendragende en zingevende waarden. Die zijn zelfs absoluut te noemen in die zin dat ze gewoon ‘zijn wat ze zijn’, ook al zijn de omstandigheden waarin ze optreden contingent en dus zeer verschillend: ‘Slechts Euclides zag Schoonheid onverhuld…’ Zo kunnen we de natuurwerkelijkheid als een openbaringsboek (zie Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 1, in de traditie van de kerk van alle eeuwen) leren lezen, het eerste gewaad waarin God aan ons verschijnt.

De eenvoud van een steen als mogelijkheid om tot een openbaring of ontdekking te komen (Zen) mag je dus plaatsen naast Jezus die brood en wijn nam om de belofte van zijn aanwezigheid te bekrachtigen. En Krishna: die nam ghee – en speelde op een fluit. Deze fysieke, tastbare vormen waarin ‘god’ zich manifesteert, zouden we ‘sacramenten’ kunnen noemen. Bowker verwijst naar het sacramentum als de eed die de recruten moesten zweren om in het Romeinse leger te worden opgenomen en citeert Horatius: ‘Non ego perfidum: dixi sacramentum; ibimus, ibimus’  ((Oden 2.17.10 ‘Ik heb geen trouweloze eed gezworen. Ik zei ‘sacramentum’: We zullen gaan! We zullen gaan!’). In het christendom is een sacrament ‘een uiterlijk en zichtbaar teken van een innerlijke en geestelijke verbondenheid’. Andere religies kennen soortgelijke begrippen. Voor India kun je denken aan de zogeheten samskara’s (aldus Bowker): rituelen en handelingen die worden ondernomen om ‘het lichaam, de geest en het verstand van individuen te heiligen, zodat ze een volwaardig lid van de gemeenschap kunnen worden’.

De mantel van de inspiratie (voortgaande schepping)

De tweede manier waarop God waargenomen wordt, is via de interactie tussen zijn basale (baserend, funderende) scheppende activiteit en hoe de mens daarop voortbouwt. Bowker noemt dat inspiratie. Hij wil de aandacht vestigen op het wonder van de menselijke creativiteit op zich, die als het ware dat wat in de natuurwerkelijkheid zit, ontvouwt, voortzet. En dat doet de mens op alle terreinen van het leven: kunst, wetenschap, techniek, maar ook wederzijdse zorg (mens-mens; mens-natuur), politieke kunde. Het is eigenlijk de kanalisering van wat er in de natuur zit, ten goede. Als we nog even vasthouden aan de metafoor van ‘kleren’, dan kun je denken aan de profetenmantel, waarin Elia of Mohammed zich hulden om in afzondering met God ‘geïnspireerd’ te worden. Die mantel staat dan voor de samenwerking tussen het goddelijke en het menselijke. God kan dit kleed aannemen als mensen openstaan voor de immanentie van God, dat wil zeggen voor het verschil dat God kan maken in het aardse leven. Ze zijn vormen van coöperatie, collaboratie, tussen het menselijke en het goddelijke. Mensen worden a.h.w. secondary agents in de niet aflatende scheppingsactiviteit van God (van oudsher ‘de voorzienigheid of onderhouding’ genaamd).

In meer specifieke zin worden inspiratie en openbaring vaak in verband gebracht met bepaalde woorden, teksten, boeken (heilige Boeken). Op dit punt zouden we m.i. beter iets terughoudender zijn. Die teksten zijn eerst en vooral gestolde vormen van inspiratie, dat wil zeggen: de neerslag van hoe andere mensen in andere tijden in andere situaties God hebben verstaan. Ze getuigen van inspiratie. Ze kunnen dus ook zelf inspireren, maar ze mogen de bronnen van creativiteit waaruit ze zelf voortkomen, niet afsluiten. Dan werken ze averechts. Komt nog bij dat we ook nuchter moeten zijn. De openbaring in de ene religie wordt inhoudelijk en qua strekking geregeld tegengesproken door de openbaring in een andere religie. Ook zijn binnen elke openbaringstraditie de karakteriseringen van God in de loop der tijd zodanig veranderd (geëvolueerd), dat latere de eerdere zijn gaan verdringen. Toch blijven de woorden van de vroegere openbaring welsprekend en veelzeggend over God, niet in de laatste plaats omdat mensen er altijd weer opnieuw door geroerd en geïnspireerd raken om zelf ook met, tot en over God te spreken.

Het kleed van de mens zelf (verdiepende humaniteit)

De derde groep ‘kleren’ die God heeft aangetrokken om zichtbaar te worden, voert ons terug naar de onzichtbare man van H.G. Wells. De kleren zijn – de vergelijking is klassiek – het menselijk lichaam (The Word became Flesh), het leven van concrete mensen. Daarin is God in al z’n singulariteit als vanuit een oneindige transcendentie neergedaald in Bethlehem (in het geval van Jezus), Mathura (in het geval van Krishna) of Ayodhya (in het geval van Rama). Zo wordt God geacht zich in menselijke vorm te hebben geopenbaard. N.B. niet in alle religies, en uitdrukkelijk nìet in de islam. Diezelfde God wordt vervolgens ook geacht nog steeds op deze wijze verdere toegang tot de wereld te verkrijgen. In de verhalen en rituelen zet zich deze incarnatie van het goddelijke in het menselijke voort. We kunnen deze ‘verschijningen’ (epifanische momenten waren het) losjes groeperen onder de noemer ‘de menswording van God’, maar wat over Jezus geloofd wordt, is natuurlijk wel heel iets anders dan wat over Krishna en Rama geloofd wordt. Ook wordt ‘de menselijke natuur’ die die godheid aanneemt (waarbinnen de verschijningen plaatsvinden) telkens heel anders opgevat. En hetzelfde geldt ook voor de human predicament (condition humaine) waarvoor zij een uitweg, een verlossing bieden. Of beter: verschillende manier om aan allerlei negatieve gevolgen te ontkomen.

Toch blijft het – aldus Bowker – een echt gemeenschappelijk element in al deze religieuze stromingen dat men gelooft dat God het initiatief neemt om de mensen als het ware halfweg tegemoet te komen in hun precaire bestaan, dat God dus die/dat is, dat ons helpt om een antwoord te vinden op de vraag die het menselijk bestaan is. Er is – zo veronderstellen ze – veel in de menselijke situatie dat nood heeft aan reddiong of herstel: De Koran heeft meer dan honderd verschillende woorden voor het menselijk tekort. In Bhagavad Gita verklaart Krishna: ‘Telkens wanneer Dharma in verval raakt en Adharma hoogtij viert, reïncarneer ik mijzelf. Om het goede te beschermen, en het kwade te vernietigen; om Dharma te vestigen word ik elke eeuw weer geboren.’

Maar waarom dan slechts half-way en niet meteen helemaal redden? Omdat dan de mens geen mens meer zou zijn en religie een vlucht in een utopie wordt, weg van de werkelijkheid. Dan is de link met de vorige twee openbaringswijzen van God gebroken. (Bowker zelf geeft een ander antwoord. Hij begint over liefde en over de noodzaak van scheiding, over de donkere nacht van de ziel van St. Jan van het Kruis. En gaat verder over de via negativa an de apofatische theologie. Mooie stukken maar wel een beetje zwaar op de hand, vond ik. En niet ‘dwingend’ volgend uit zijn toeleidende vertoog). In elk geval is duidelijk dat alles wat je op grond van die drie soorten ‘kleding’ waarin jij God gewaarwordt, tegelijk ook gerelativeerd moet worden op het moment dat je die ervaringen onder woorden brengt, en systematiseert. Het zijn uiteindelijk maar ‘effecten’, gevolgen. Het is niet God zelf. Ze staan open voor interpretatie. God is enkel een relevant woord (een actor, een agent) in het verhaal dat jij erover vertelt. Wat Hij is kan niet geweten worden, laat staan gezegd. In die zin is en blijft God onkenbaar. Alles wat we in positieve zin over God proberen te zeggen moet dus tegelijk ook gecorrigeerd worden en zelfs ontkend omdat het per definitie altijd tekortschiet – Deus semper maior. Verschillende religies hebben daar verschillende woorden voor: het jodendom kent ayn, ‘niets’, het christendom via negativa, ‘de negatieve weg’, islam bila kayf, ‘zonder te weten hoe’, hindoeïsme neti, neti, ‘Niet dit, niet dat’ (of zelfs gewoon: ‘Nee! Nee!’).

Conclusie

God is een uitnodiging, en die uitnodiging gaat uit tot ieder mens, schrijft Bowker in de slotalinea. Daarna gaat hij preken, maar die zin blijft hangen. Ik hoor die uitnodiging op grond van het bovenstaande toch vooral als een oproep om ‘met open ogen en open oren door de wereld’ te blijven gaan, vol verwondering, aandachtig, zorgzaam en zorgvuldig in de omgang met alles wat is.

28 januari 2018. Dick Wursten

Tekst gebaseerd op en geïnspireerd door John Bowker, God. A Very Short Introduction (Oxford, 2014), 160pp.