3.0 Vrijheid en godsdienst, een haat-liefde verhouding – inleiding

By | 14/11/2018

Om te verstaan waar het mensenrecht ‘vrijheid van godsdienst’ eigenlijk over gaat (niet over het recht om je godsdienst altijd en overal en publique te mogen uitdragen, that is not the issue) moeten we nogmaals terug in de tijd. De mens is nu eenmaal een door-en-door historisch wezen en de epifenomenen die hij creëert (cultuur, religie, samenleving) zijn dat dus ook. En alleen via de genealogische weg kun je erachter proberen te komen waar het eigenlijk om te doen is/was. Om vrijheid van godsdienst te verstaan, moeten we terug naar de tijd toen godsdienst overal en nergens was, onvermijdelijk en almachtig. Meteen voel je aan dat vrijheid van godsdienst eerst en vooral een zaak is van ‘verlost te worden van de druk die een alomtegenwoordig door de staatsmacht geschraagd religieus instituut uitoefend op een mens (of een groep mensen). Het is dan ook in kringen van vervolgde minderheidsgroepen dat op een bepaald moment het besef zich doorzette dat ostracisme maatschappelijk niet goed is, voor niemand. Daar begon de idee wortel te schieten dat de religieuze kwestie misschien ‘anders’ moest worden opgelost dan via een verbond van ‘kerk en staat’, al dan niet pluraal. De gedachte aan een Wall of separation werd geboren. Het element van bevrijding (t.t.z. uit de macht van een overheersend religieus instituut dat zich via de omweg van staatssteun overal mee moeit, the established religion) is mijns inziens dus essentieel om de geest van het recht op godsdienstvrijheid te vatten en in de toekomst te voorkomen dat de letter van de wet de geest verstikt (wat ik zie gebeuren). In dit hoofdstuk probeer ik dat intense gevoel van bevrijding op te roepen, te evoceren zelfs, dat bij de geboorte van de godsdienstvrijheid hoort.

Wèg, wèg van hier…

Ik nodig u dus uit om met mij mee te gaan, terug in de tijd. Eerst moeten we voelen wat het betekent als ‘één religieus taalspel’ dominant is, d.w.z. als één religieus instituut je hele visie op en beleving van het leven (individueel en collectief) bepaalt, zonder dat je er zelf erg in hebt. Hoe fijn dat was (en is?), en hoe benauwend tegelijk. Het Leitmotiv in dit hoofdstuk zal de term ‘exodus’, uittocht zijn. Wèg, wèg van hier… Het is niet verboden hierbij te denken aan de korte tekst van Franz Kafka: Der Aufbruch Maar u kunt het ook horen in de gevoelswaarde van bijbeltaal: Exodus is de naam van het tweede bijbelboek en verwijst naar het verhaal van de uittocht van het volk Israël uit Egypte o.l.v. Mozes. Tegelijk is het een chiffre, een metafoor die naar een bepaalde existentiële toestand verwijst, die een belangrijk onderdeel is van de Joodse en christelijke godsdienstbeleving is: de ervaring van bevrijding, verlossing, redding.