Het schriftprincipe: hoe werkt dat eigenlijk ?

De confrontatie: zich sluitende religieuze identiteiten

Van het dispuut in Leipzig (Eck versus Luther) was een verslag opgestuurd naar de theologische faculteiten van Parijs en Erfurt om een oordeel te vellen. Deze houden zich op de vlakte en antwoorden niet. Daarop springen de universiteiten van Keulen en Leuven in het gat. Ze publiceren eind 1519 eensgezind een lijst van uitspraken van Luther voorzien van het label ‘dwaling’. Zij sturen dus aan op een ketterproces. Het facit over Luther wordt dan ook niet lang daarna voltrokken. De paus veroordeelt op aangeven van Dr. Eck eenenveertig nogal losjes bijeengeraapte en ongelijksoortige stellingen van Luther. Nergens geeft hij aan waarin de fout precies zit, laat staan dat hij ze weerlegt. Veel zwakker – geestelijk dan toch – kan een kerk niet reageren. Op 15 juni 1520 ondertekent paus Leo X de ‘banbedreigingsbul’ (Exsurge Domine), laat die publiceren en zendt die naar Luther. Nog voor hij die officieel ontvangt, reageert hij al met een vernietigend schotschrift: Adversus Execrabile Antichristi Bullam (tegen de vervloekte bul van de antichrist). De titel zegt genoeg. Alle bruggen zijn opgeblazen. In november van het zelfde jaar reageert hij iets rustiger, maar inhoudelijk niet minder fel, door in een Assertio (een plechtige verzekering, ook een juridische term waarin van iemand verklaard wordt dat hij een vrij man is) eerst enkele en in latere edities alle aantijgingen stuk voor stuk te weerleggen.1 Hij weet het inmiddels zeker: de kerk is de kerk niet, maar een duivels marionettentheater om de gelovigen te misleiden. Het is volksverlakkerij. In diezelfde Assertio formuleert hij ook een eerste versie van het Schriftprincipe, dat hij als ‘scheermes van Ockham’ zal gebruiken in zaken van geloof en leven. In de kerk zegt Luther mag ‘enkel de Schrift regeren’ (solam scripturam regnare). En die is daartoe prima in staat, want ze is ‘glashelder, super eenvoudig, en zeer toegankelijk; bovendien legt ze zichzelf uit terwijl ze werkelijk alles beproeft, oordeelt en verlicht’.2 De bijbel interpreteert volgens Luther zichzelf en zal er zonder enige externe hulp in slagen om z’n heilzaam werk te doen. Zo was Luthers eigen ervaring en hij is er op dat moment rotsvast van overtuigd dat ook anderen dat zo zullen beleven.

Gods woord zit in die letters verborgen en komt er gegarandeerd uit als je maar goed leest. Luther heeft het feit dat hij met de bijbel alleen overbleef dus niet als een verlies beschouwd maar als een winst. Het wordt het enige overblijvende kenmerk van de ware kerk. Waar de bijbel geopend wordt en tot spreken komt, dààr is de kerk, beter: daar ‘geschiedt kerk’. Hij is er ook volkomen zeker van dat je met de bijbel in de hand de duivel en zijn trawanten kunt verslaan. Eind 1520, met de doodsbedreiging van de bul als een zwaard van Damocles boven z’n hoofd, voelt hij zich sterker dan ooit. Hij kan de hele wereld aan. Als de termijn van 60 dagen na ontvangst van de bul verstreken is en deze dus automatisch zal worden omgezet in een echte excommunicatie (= terdoodveroordeling by proxy: na afkondiging moet de wereldlijke overheid de straf op het vonnis voltrekken), organiseert Luther een symbolische actie. Hij roept alle studenten en professoren in Wittenberg samen voor een plechtige boekverbranding. Het is 10 december 1520. Op de brandstapel gaan niet alleen de pauselijk bul, maar ook de canones van het kerkelijk recht en de theologische en filosofische handboeken die tot dan toe in de faculteit werden gebruikt. Aristoteles heeft afgedaan, Lombardus is passé. Ze zijn volgens Luther niet meer nodig en zelfs schadelijk. Sola scriptura neemt Luther heel letterlijk. Kerkelijke theologie is bij Luther voortaan niet meer filosofisch argumentatief of juridisch kerkrechtelijk van kleur maar zal de parel van de faculteit der letteren moeten worden. Van de bestudering en exegese van dit geschrift verwacht hij absolute duidelijkheid in alle zaken van geloof en leven. En deze zal met de best mogelijke literaire middelen aan de man gebracht moeten worden. Quintillianus en Cicero zijn de nieuwe hulpleraren. De Wittenbergse professor Grieks en filosofie, Philippus Melanchthon, staat klaar om het nieuwe curriculum vorm te geven. Consequenter en gewaagder kan het niet. Faalt dit nieuwe fundament van de kerk, de bijbel, op één van deze punten, dan kun je de boel sluiten. Ook dàt heeft Luther beseft en zelfs gewoon opgeschreven: Als retorische vraag besluit ze de passage uit de Assertio die ik al eerder citeerde. De bijbel is tegen de taak opgewassen meent Luther en daarom kan ze ‘met recht heer en meester zijn over alle boeken en leerstellingen. Ware dat niet het geval, waarom zou je dan nog met de Bijbel bezig zijn?’ [Was soll uns die Schrift?] Dan zouden we die beter verwerpen en voortaan genoegen nemen met de boeken en ideeën van mensen.’3

Radicaler kun je het ‘christelijke project’ niet hervormen en duidelijker kan de breuk met de bestaande kerk niet zijn. Preciezer: duidelijker kun je niet zeggen dat je van mening bent dat wat zich ‘kerk’ noemt helemaal geen kerk is maar een duivelse parodie op de kerk, met de paus als anti-christ aan het roer. Een christenmens hoeft zich daar dus niets van aan te trekken. Hij is een vrij mens, niemands onderdaan. De enige die boven hem staat is God. Alleen daarom dient hij in vreugde alle mensen. Zo gaat dat als je Gods genade hebt ervaren. Het zal niet toevallig zijn dat ook het boekje waarvan deze zinnen een echo zijn, eind 1520 is verschenen: Von der Freiheit eines Christenmenschen. Op grond van de bijbel voelt hij zich geroepen en vrij om – na de vaststelling van het totale failliet van wat zich tot op heden ‘kerk’ noemt, maar het dus niet is – te gaan bouwen aan de echte kerk. Daar zal slechts één bron van gezag gelden: de bijbel. Al deze elementen zijn op bijzonder fraaie wijze door Luther samengebracht in de laatste passage van zijn beroemde apologie op de Rijksdag van Worms in 1521. Hij richt zich daar tot de keizer en de verenigde vorsten van het Heilige Duitse Rijk en zegt:

U vraagt mij kort en duidelijk antwoord te geven of ik mijn boeken wil herroepen. Welnu, als u mij niet kunt overtuigen met getuigenissen uit de heilige schrift of met glasheldere argumenten (ratione evidente) kan ik dat niet doen. Immers op de paus en de concilies kun je niet bouwen, want die hebben zich al vaak vergist en zichzelf tegengesproken. Daarom blijf ik vasthouden aan de schriftplaatsen die ik eerder heb aangevoerd. Mijn geweten (conscientia) is gevangen in die woorden van God. Daarom kan ik en wil ik niets herroepen, want tegen het geweten in handelen is schadelijk voor je ziel en daarmee maak je jezelf kapot. [Hier sta ik, ik kan niet anders]. God helpe mij.4

Sola Scriptura

De bijbel is de materiële bron (daar staat alles in), de menselijke ratio is het middel waarmee je die ‘data’ moet verwerken en omzetten in een consistente leer. Eens je dat naar eer en geweten gedaan hebt, dan is het resultaat geldig en verplichtend. Dan is dat de waarheid. Dan geldt: ‘zo spreekt God tot ons’. Dat woord bindt iedereen die het hoort. Luthers verwijzing naar ‘het geweten’ is vaak opgevat als een pleidooi voor ‘vrijheid van geweten’, maar dat is in elk geval niet wat Luther hier bedoelt. Zijn geweten is gevangen in Gods Woord (conscientia capta in verbis Dei). Die zin duidt op het existentiële en onontkoombare gezag dat de bijbeltekst krijgt, eens die tot spreken is gebracht. Nu ken je de waarheid samen met God (con-scientia). Nu zit je er dus aan vast. Bevrijdend (Turmerlebnis), maar ook verplichtend (Worms). Wat deze passage ook laat zien, of beter veronderstelt, is dat Luther er vast op vertrouwt dat die objectieve waarheid bestaat en gevonden kan worden, door grondige bijbelonderzoek. Liefst in team, met woord en wederwoord, wil hij op zoek gaan naar wat God zegt. Zijn verwachtingen in de nieuwe bijbelwetenschap zijn hoog gespannen. Ze zullen Gods tot spreken brengen. Theologie is en blijft voor Luther de hoogste wetenschap en stelt navenante eisen aan de beoefenaars.

Tot zover Luthers verhaal over hoe het begon en waar het volgens hem op aankomt. Dit is ook niet ‘het’ verhaal van ‘de’ Reformatie, dat bestaat niet. Het is echter wel Luthers eigen verhaal. Zo heeft hij die veelbewogen periode in zijn leven ‘verteld’, dat wil zeggen zin en samenhang gegeven. Dit is zijn ‘framing’. De bijbel – zo is hem in 1520 voorgoed duidelijk geworden – is de enige grond en maatstaf om te oordelen over wat er in een mensenleven voorvalt. Maakt niet uit of dat leven zich in de kerk of de wereld afspeelt. De teksten in dat boek redden niet alleen de ziel van het verderf (existentieel), maar leggen ook een fundament onder de samenleving (sociaal, politiek). En voor Luther is wat er uit die bijbel tevoorschijn komt, geen subjectieve zaak, maar de objectieve waarheid. Hij daagt voortdurend zijn tegenstanders uit om te debatteren, om te komen met gegevens uit de bijbel en die zo te ordenen met behulp van de rede, dat ze hem zullen overtuigen. Indien men daarin niet slaagt, dan kan hij niet anders dan zij standpunten voor waarheid houden. Dat even later de profeten van Zwickau, de Wederdopers, en de Duitse boeren zich met beroep op diezelfde bijbel en onder verwijzing naar Luthers ‘vrijheid van een christenmens’ tot heel andere conclusies komen, kan zijn vertrouwen in zijn eigen ontdekking niet aan het wankelen brengen. Ze hebben niet goed genoeg gelezen, of het verkeerd begrepen. Hij is altijd bereid om hen te laten zien wat er echt staat en voor te doen hoe je dat dan moet interpreteren, d.w.z. hoe de Schrift zelf het volgens Luther uitlegt. Dat het toevallig altijd Luther is die de eigenlijke Schriftzin beter kan weergeven dan ieder ander, heeft hij zelf blijkbaar niet als problematisch ervaren. Hij had gewoon altijd gelijk, vond hij. Zijn collega reformator, Huldrych Zwingli van Zürich, zelf een excellent bijbelkenner, bestempelde hij op een topconferentie van Hervormingsgezinde leiders uit de Duitse en Zwitserse gebieden (Marburg, 1529) als een stompzinnige en een gevaarlijke ketter, om de simpele reden dat Zwingli niet wilde meegaan in zijn discours over de betekenis van ‘brood en wijn’ bij de communie. Op een gegeven moment moet Zwingli vertwijfeld hebben uitgeroepen: ’Maar broeder Martin, moet dan altijd alles precies gaan zoals jij het wil !’ (Pettegree 2015, 250). Luther had er duidelijk moeite mee de vrijheid die hij voor zichzelf had opgeëist, ook aan anderen te gunnen. Zijn wereldvisie, levensbeschouwing en theologie, gevormd onder grote externe druk, was al snel gestold tot een absolute zekerheid: God had hem gekozen als instrument om de kerk van Christus vorm te geven. Op grond van de verworven inzichten zal hij nadat hij uit de kerk (die de kerk dus niet was) gezet is, al zijn energie schenken aan de opbouw van de kerk, die wel de naam kerk waardig zou zijn. Wie met hem mee wilde doen, was zijn vriend; Wie obstructie pleegde, die zou zich maar beter vast voorbereiden op Gods oordeel.

De schrift tegenover de kerk

De gevolgen van deze concentratie op de bijbel zijn enorm. Ze worden pas gaandeweg de zestiende eeuw duidelijk. Ik houd er niet van om te snel het woord ‘paradigma-verschuiving’ te gebruiken, maar ik denk dat dit hier toch wel toepasselijk is. Niet alleen de kerk, maar ook de samenleving geraakt erdoor in een crisis die ze maar niet opgelost krijgt. Een reeks van godsdienst-gerelateerde conflicten barst los, die al snel escaleren tot openlijke oorlogen. De Duitse gebieden, de Nederlanden, Frankrijk. Met de nodige tussenpozen krijgt in de zestiende eeuw elk zijn deel. In de zeventiende eeuw wordt vervolgens heel Centraal Europa meegesleurd in de 30-jarige oorlog, die pas in 1648 kan worden gepacificeerd. Onderwijl raakt ook Engeland, na de reeds zeer bloedige koerswijzigingen in de zestiende eeuw, vanaf 1640 verstrikt in een bloedige burgeroorlog (Puriteinen vs. Charles I). Nooit eerder in de geschiedenis van Europa was er op zo’n grote schaal, zo bloedig en zo fanatiek oorlog gevoerd, waarbij ook – niet alleen natuurlijk – de zaak van de christelijke religie een beslissende rol speelde.

Dat is eigenlijk verwonderlijk. Hoe kan tekstinterpretatie zulke dramatische gevolgen hebben? Daar is duidelijk meer aan de hand dan een uit de hand gelopen filologisch debat. Het antwoord zit ‘m in de status die aan die tekst wordt toegeschreven. Voor alle participanten is de bijbel niet zomaar een boek, maar ‘Gods Woord’. Het lijken gewone verhalen, spreukenverzamelingen, gedichten, wetboeken en brieven, maar dat is niet zo. Dat is een optische illusie. Die teksten zijn media, waardoor God ons dingen wil duidelijk maken, ons wil onderwijzen. Dat kan gaan over alles, over het geloof, de moraal, maar dat kan ook dienen voor aanbidding en contemplatie. Dit waren alle betrokkenen met elkaar eens. Wat nieuw is bij Luther is dat hij dit boek uit de traditie van de kerk licht waarbinnen het is overgeleverd en waarbinnen het werd geïnterpreteerd, en het vervolgens tegenover de kerkelijke Traditie (met een hoofdletter, aanduidend de tweede ‘bron des geloofs’ (Mechelse catechismus, vr/antw 11-13) zet, terwijl hij de status van het boek nasvenant verhoogt. Luther stelt dat alles in de kerk mensenwerk is (theologie, liturgie, organisatie, kerkorde etc.) behalve dat boek. Dat is Gods werk, en alléén dat. Doorheen dat medium neemt God zelf het woord en richt zich live tot de nu levende mens. Dat het Gods Woord wordt genoemd, is voor Luther dus geen plechtige frase, maar de aanduiding van een realiteit. Hiermee is wat de bijbel zegt niet meer van relatief belang voor de kerk (ingebed in een uitlegtraditie), maar funderend voor de kerk zelf. Luther verhoogde de inzet rond de bijbelse exegese dus aanzienlijk. De genealogie van dit inzicht, hebben we hierboven beschreven.

Voor Luther het woord nam was het evenwicht tussen Bijbel en Traditie al aan het schuiven gegaan. De humanisten waren begonnen de bijbelse teksten zelf te lezen, en liefst in originelere versies dan de officiële kerkelijke (de Vulgata). Ze lazen ze met nieuwe ogen, geschoold als ze waren in de taalkundige benadering van andere klassieke teksten. Ze gaven de bijbeltekst vervolgens ook uit (NT, Erasmus, 1516), maakten nieuwe vertalingen, schreven er commentaren bij en geraakten onder de indruk van die teksten. Dat heb je soms als gaat lezen en wilt weten wat er nu precies staat en wat dat betekent. Daarbij konden ze er niet omheen dat er toch wel een heel grote discrepantie was tussen leven en werk van Jezus, de eenvoudige rabbi van Nazareth, en de levensstijl en boodschap die die officiële kerk uitdroeg. Erasmus en zijn Franse evenknie Lefèvre d’Etaples hadden van de reactivering van de bijbelse geschriften niet minder hoge verwachtingen dan Luther: een vernieuwing van kerk en samenleving. Deze teksten zouden het doen (bijbel). Alle wetenschappelijke kennis en middelen werden daarvoor ingezet (ratio) en dan zou ieder mens moeten toegeven: Ja, zo is het. Nu is het duidelijk wat God wil. Ben ik het met hem eens  (con-scientia). Maar waar Luther na enkele hevige botsingen al snel besloot de hele kerkelijke traditie van een vraagteken te voorzien en even later de kerk haar ‘kerk-zijn’ af te strijden, bleef iemand als Erasmus binnen de kaders van de traditie en – ondanks grote tegenwerking, en knallende ruzies – bleef hij hopen op een geleidelijke hervorming van binnenuit. Eens echter de radicalen de wind in de zeilen hebben – en naast Erasmus is Luther radicaal – kunnen de gematigden het wel vergeten. Het gevolg van het doorzetten van de Reformatie à la Luther, is dat die andere pogingen tot reformatie van binnenuit vaak een stille dood stierven.

Doordat Luther de bijbel in het centrum van de kerkelijke aandacht plaatste, het gezag van de bijbel opwaardeerde tot quasi goddelijke status en met dat boek in de hand het hele instituut ‘kerk’  kritisch ging bekijken, begonnen de panelen van de christelijke religie te schuiven. Plots moest je om christen te zijn, lezen, lezen, en nog eens lezen in het bronboek van de kerk. Dat zal je redden, niet de priester met zijn sacrament. De belofte was: door de woorden uit dat boek op je te laten inwerken, zal God zelf tot jouw hart spreken en je aanraken. De bijbel is het materiële medium van Gods spreken, het geloof is dan het instrumentele medium waardoor de vonk kan overspringen (fides qua). Geloven wordt iets persoonlijks, iets existentieels. Dit klinkt zo normaal, dat we enkel door deze historische oefening te doen, beseffen dat dit nieuw is. Vrome monniken en andere religieuze professionals zullen het op zich wel herkend hebben, maar nu wordt dit samenlevingswijd de norm. De boutade dat Luther nooit het klooster verlaten heeft, maar gewoon de hele wereld onder de regel des geloofs van het klooster heeft gesteld, vindt hier z’n rechtvaardiging. De eisen die vroeger enkel aan de clerus werden gesteld, worden nu algemeen. Ieder mens moet met z’n geloof bezig zijn. Ieder mens moet met de bijbel in contact komen. Ieder mens moet ook een besef hebben van wat hij gelooft. De andere kant van deze doorbraak, en tegelijk de voorwaarde dat deze revolutie kan slagen, is dat de bijbel ook echt alles wat er in de wereld en het leven gebeurt, helder belicht, beoordeelt en op een niet mis te verstane manier aanwijzingen geeft hoe dat dan te organiseren. Zoals gezegd, was Luther daar in principe van overtuigd, en velen met hem: er zou objectieve waarheid gevonden worden. Bij Luther is de concrete uitwerking van dit inzicht een tweede stap, die hij niet altijd even graag zet, zeker niet als het de moraal aanbelangt. Hij heeft door zijn monniksopvoeding een bijna fysieke afkeer overgehouden als het op ‘verplichtende formuleringen’ (wetten) aankomt. Hij neemt die taak op zich als hij daartoe uitgedaagd wordt, simpelweg omdat het vacuüm dat ontstaan is toen hij de kerk van Rome doodverklaarde, op- en ingevuld moest worden. Er dreigde namelijk anarchie, niet alleen hermeneutisch (in de uitleg van de bijbel), maar ook maatschappelijk. Wie aan religie raakt, raakt aan de samenleving. Zo bouwt hij niet systematisch gepland, maar wel consequent langzaam een hele nieuwe kerk op met de stukken brokken van de kerk die hij opgeblazen heeft. De deconstructie en de (re)constructie geschieden beide op basis van het boek, tenminste, dat dacht, dat claimde Luther. In werkelijkheid kwam er natuurlijk veel meer bij kijken, want lezen en interpreteren is geen ‘objectieve’ bezigheid en geschiedt nooit in het luchtledige, zeker niet als het een boek betreft waarin al zoveel is geïnvesteerd en waarvan zoveel van afhangt als van een ‘heilig boek’. Wie denkt dat hij dat ‘onbevooroordeeld’ kan, houdt zichzelf voor de gek. En dit is exponentieel waar als op de uitleg van dat boek ook nog een publieke organisatie als de kerk moet worden gebouwd. Omdat religie zich niet afspeelt in niemandsland, maar in de samenleving van concrete mensen, is de uitleg van de bijbel (als over meer gaat dan theoretische theologisch bespiegelingen, maar zelfs dan!) verknoopt met politieke, sociale en culturele realiteiten. En zal die uitleg daar zeker door beïnvloed worden.


© Dick Wursten: fair use policy: d.w.z. alle gebruik toegestaan mits vermelding van de bron.


Voetnoten

  1. Assertio omnium articulorum M. Lutheri per bullam Leonis X. novissimam damnatorum, 1520.
  2. “… per sese certissima, facillissima, apertissima sui ipsius interpres, omnium omnia probans, iudicans, et illuminans”. WA 7, p. 97.
  3. WA 7, 317 (Grund und Ursach, Duitse versie van de Assertio): Es muss yhe die heilige Schrifft klerer, leichter unnd gewisser sein, den aller anderere schrifft. Syntemal, alle lerer, yhre rede, durch die selben alsz durch klere rund bestendiger schrifft, beweren, unnd wollen yhre schrifft, durch sie befestiget unnd vorkleret haben, szo mag yhe niemand ein tunckel rede durch ein mehr tunckel rede betweissen, der halbben uns die not dringt mit aller lerer schrifft, yn die Biblien zulauffen und alda gericht und urteil uber sie holen, den sie ist allein der recht lehenherr und meister uber alle schrifft unnd lere auff erden. So aber das niet sein sol, was sol uns die Schrift? Szo mehr vorwerffen wir sie, und lassen unsz genugen an menschen bucher und lerer. (Ed. Wittenberg, a iv- verso (p.8)
  4. Nisi convictus fuero testimoniis scripturarum, aut ratione evidente (nam necque Papae necque Conciliis solis credo, cum constet eos errasse saepius, et sibi ipsiis contradixisse) victus sum scripturis a me adductis, captaque conscientia in verbis Dei, revocare necque possum, necque volo quicquam. Cum contra conscientia agere neque tutum, neque integrum. Meer info over deze passage op mijn Luthersite.

Auteur: dwursten

theoloog, historicus, en inspecteur/pedagogisch begeleider voor het godsdienstonderwijs in Vlaanderen.