2.6 Hoe weet ik eigenlijk wat God zegt/wil?

By | 14/11/2018

Hoe weet je als mens eigenlijk wat God wil?

Luther heeft de verboden vraag gesteld: Wie in de kerk (en bij uitbreiding: in elke religie) kan eigenlijk claimen dat hij ècht spreekt namens God? Een religieus instituut is per definitie een instelling die veronderstelt dat ergens, ooit, God hun ontstaan heeft gewild en zich aan dat instituut bindt, liefst exclusief. Bij charismatische groepen ligt dit anders: daar is de herhaling van het oorspronkelijk spreken van God (verbaal of emotioneel) de garantie dat je goed zit, maar daar is ook vaak maar weinig institutionalisering. Voor grote religieuze instituties, zoals ‘de kerk’ maar dit geldt breder dan het christendom, moet een ‘moment’ aangeduid worden, waarin God die bevoegdheid zou hebben toegekend. Dat moment ligt per definitie in het verleden, maar blijkt onbereikbaar als je er naar op zoek gaat. Daarvoor dienen precies de oermythes, zoals de toekenning door Jezus van de ‘sleutelmacht’ aan Petrus en de apostolische successie. Als dat begin onzeker is dan dreigt er anarchie, letterlijk. De eerste betekenis van ‘archè’ is niet ‘macht’, heerschappij’ zoals men vaak leest, maar ‘begin’, ‘het eerste’. De bijbel begint ermee: ‘In den beginne, in principio, en archèi…’. Wie het eerst komt, het eerst maalt. De eerste is de baas, de vorst, de prins (etymologisch van ‘princeps’, primus capio: hij die het eerste toegrijpt). Terwijl dus iedereen slag om slinger verzekerde (en verzekert1) dat de institutionele vorm van de rooms-katholieke kerk stevig verankerd zit in Gods eigen wil, riep Luther als het kind in het sprookje van Andersen: ‘Maar mama, de keizer (il papa) heeft helemaal geen kleren aan’. Hij zegt wel dat God/Jezus hem die volmacht heeft gegeven, maar dat klopt helemaal niet. Een voor een serveerde hij de traditionele argumenten af. En dan hebben we het niet over de ‘wereldlijke macht’ van de paus, gebaseerd op de ‘schenking van Constantijn’ die enige tijd voor Luther door Lorenzo Valla was ontmaskerd als een vervalsing. Luther wist dat ook, en gebruikte dat argument ook als het te pas kwam, maar hem interesseerde de geestelijke macht en de rechtsgrond daarvan: de legitimatie van de kerk als kerk van Christus. Hij gebruikte hiervoor zijn ‘scheermes van Ockham’, de theologische methode van het sola scriptura. Wie de evangeliën leest en congeniaal uitlegt met filologische en exegetische middelen, die stelt al snel vast dat de volmacht die in het evangelie van Mattheüs (hoofdstuk 16, 18-19) aan Petrus (en twee hoofdstukken later aan àlle discipelen ) wordt gegeven, niet zomaar samenvalt met de claims die de paus daarop baseert, om nog maar te zwijgen van de aanname dat die aan Petrus toegekende volmacht ‘overdraagbaar’ zou zijn. Luther suggereert en passant ook nog dat als Jezus over ‘de rots’ (Grieks: πετρα – petra) spreekt ‘waarop hij zijn kerk zal bouwen’, dat Jezus dan niet de persoon Petrus bedoelt, maar de geloofsbelijdenis die hij kort daarvoor heeft uitgesproken. Luther kon goed lezen. Enfin, hoe dat ook zij, als de bijbel de toetssteen is van alles, dan kan letterlijk alles ter discussie gesteld worden door het voor het ‘gericht van de bijbel’ te dagen. Houdt het stand:  prima, valt het door de mand:  weg ermee! Luther claimt dat de Bijbel die taak van scherprechter aan kan. Ze zal desgevraagd duidelijk spreken en ondubbelzinnig zeggen hoe het zit en hoe het moet. Daarmee is dan ook meteen de achilleshiel van het protestantisme onthult. Dat de bijbel dit kan is de oermythe van het protestantisme, en even twijfelachtig als de oermythe van het katholicisme. De bijbel is namelijk geen helder boek, sterker nog, het is helemaal geen boek, het zijn 66/72 (of 74?, het hangt van de kerk waar je lid van bent af) verschillende boeken, die ontstaan zijn in een periode van misschien wel 1000 jaar. En ook al blijft Luther er z’n leven lang van overtuigd dat de bijbel helder is en duidelijke ontegensprekelijk kennis over de wil van God voor ons vandaag bevat, en ook al bevestigen alle protestantse reformatoren dit in koor, en ook al lees je in elk protestantse geloofsbelijdenis en catechismus soortgelijke verzekeringen, in de praktijk althans is daar weinig van te zien. Van meet af zijn er ernstige meningsverschillen over wat God nu precies wil volgens die Bijbel en al snel leiden die tot hevige ruzies. Met het tweesnijdend zwaard van ‘Gods Woord’ sneed men ook in eigen vlees. Wat Luther tegen Rome gebruikte, bijv. dat ieder mens andermans priester kan zijn, gebruikten anderen nu tegen hem door een volledig egalitaire kerk te eisen. Luther schrok en trok aan de noodrem. Dat was niet de bedoeling. Zo had hij de bijbel niet verstaan. Maar ja, zij blijkbaar wel. Zo simpel is het niet uit de bijbel een eenduidige boodschap te laten komen, die alle lezers overtuigt. Die kleine 70 heterogene geschriften zijn daar qua literair genre ook helemaal niet voor bedoeld. Bijbelboeken zijn geen kerkelijk wetboeken en bevatten geen expliciete systematische theologie. Er zijn verhalen, profetieën, kritische en opbouwende, er zijn brieven, algemene bezinning, raadgevingen, analyses, halve preken, etc. die allemaal hun eigen historische context hebben en daarop ingaan. Ja, natuurlijk wordt Gods bestaan en activiteit verondersteld, maar dat zegt op zich nog niets. Wil je vanuit de bijbel over een andere situatie dan de beschrevene iets zeggen, moet je per analogie werken, en dan ontkom je niet aan interpretatie. Dan sluipt er met andere woorden ‘mensenwerk’ in wat zo moeten klinken als het zuivere woord Gods. Waarom zouden de ‘geestesgaven’ (waaronder profetie, genezingskracht) uit de brief aan de Korinthiërs (h. 12), niet ook nu nog een kenmerk van de kerk zijn? Waarom zouden enkel in de eerste gemeente alle goederen gemeenschappelijk moeten zijn (Handelingen, h. 2)? Wat betekent het als volgens de brief aan de Galaten het onderscheid ‘slaaf-vrije’, ‘mannelijk-vrouwelijk’ niet meer van belang is ‘in Christus’? En dan beperk ik me nog maar tot enkele topics die me zo te binnen schieten. De systematisch uitgebuite boeren hadden met andere woorden wel degelijk een punt, ook vanuit de bijbel bezien, en de Zwickauer profeten hadden op z’n minst geen ongelijk als ze meenden dat er ‘profeten’ zouden kunnen opstaan volgens de bijbel. De vele spiritualistische stromingen konden zich niet alleen op de bijbel beroepen om te onderlijnen hoe belangrijk de Heilige Geest wel niet is, ze konden zich zelfs op de bijbel beroepen om het belang van de bijbel te relativeren. Het is immers ‘de letter die doodt, en de geest die levend maakt’ (tweede brief van Paulus aan de gelovigen van Korinthe, hoofdstuk 3, vers 6b). Kortom: alles kan ter discussie gesteld worden. En dat gebeurde dan ook. Wie enkel op een boek zo divers als de bijbel een religieus instituut wil funderen dat ‘één, heilig en wereldwijd (katholiek)’ moet zijn, overschat de draagkracht van de bijbelse teksten. Dat boek is daar niet voor geschreven en ook niet voor geschikt. Er ontstonden dan ook meteen al legio geloofsgemeenschappen (ze kerken noemen is al misleidend), die zich allemaal op de bijbel beriepen, maar die als het om de toepassing van de bijbel ging op bijv. de doop, het avondmaal, het ambt, de visie op de wereld, de rol van de overheid, privébezit, rangen en standen, de Heilige Geest, de leer over Jezus, etc. , elkaar al snel en blijvend in de haren vlogen. ‘Het Protestantisme’ heeft nooit bestaan. De term is een paraplubegrip om een van aanvang heel divers scala aan groepen, gemeenschappen, bewegingen, (al dan niet kerk-achtig), en individuen aan te duiden, wiens hoofdkenmerk (in de zestiende eeuw zeker) was, dat ze de rooms-katholieke kerk als instituut totaal afwezen, Daarnaast hebben ze gemeen dat ze zich beriepen op de bijbel, maar zo gauw ze dat laatste moesten stofferen, bleek dat wat hen als formeel principe bond ook dat was dat hen als inhoudelijk principe scheidde. Een institutioneel breed uitgebouwde ‘sola-scriptura kerk’ is nooit van de grond gekomen.

Dat moet een enorme teleurstelling zijn geweest voor veel goedwillende zestiende eeuwers. De humanisten, met Erasmus voorop, hadden hoge verwachtingen van de terugkeer naar de bron van het geloof: de bijbel, gelezen in en begrepen vanuit de originele talen. Dankzij de hernieuwde kennis van het Hebreeuws en Grieks zou die nu voor het eerst sinds mensenheugenis echt ontsloten worden. En zou de oorspronkelijke betekenis helder worden. Dat er niet zoiets mogelijk is als een onbevooroordeelde lezing, noch een definitieve interpretatie van enige tekst die meer is dan een simpele mededeling, is voor een moderne taalwetenschapper vanzelfsprekend (alhoewel), maar voor een zestiende eeuwer ongedacht en als het de bijbel betreft: ‘vloeken in de kerk’. Men beschouwde de bijbel immers niet als een gewoon boek. De bijbel was ‘Gods Woord’, dat wil zeggen: geen menselijk boek, maar heilige Schrift, geïnspireerd, geopenbaard. Hoewel niet zo massief als de claim van de islam met betrekking tot de koran (Door God gedicteerd aan Mohammed middels de engel Gabriël), komt het in de beleving van veel protestantiserende christenen wel degelijk heel dicht bij een ‘letterlijke inspiratie’: de heilige Geest fluistert op menige prent de heilige evangelisten de tekst in. De auteurs worden ook geregeld ‘notarii’ genoemd. Vanuit deze visie op het heilige boek, waren de verwachtingen ten opzichte van de opkomende taalwetenschappen hoog gespannen. De filologie zou wonderen gaan verrichten. Ze zou de dikke stoflaag waarmee de rooms-katholieke leer en de kerkelijke traditie de bijbelse boodschap had bedekt (verdraaid, vervalst zo lees je vaak in Protestantse geschriften uit die tijd), wegblazen en dan zou het pure Woord Gods weer staan te blinken in zijn oorspronkelijke helderheid. Dan zou – en Luther geloofde het in het begin echt – de hele wereld met eigen ogen kunnen lezen hoe het nu eigenlijk zat en dus ongetwijfeld tot inkeer komen. Niet alleen de paus en de bisschoppen, ook de Joden zouden toestromen en zich bekeren, nu de ware betekenis van de bijbelse teksten weer naar boven was gekomen. Dat dit niet gebeurde, verklaart ook voor een stuk de verbetenheid waarmee hij zowel de romana als de Joden nadien heeft bestreden. Dat zij bij zoveel evidentie nog steeds niet tot inzicht wilden komen, kon in zijn beleving enkel nog op het conto van de duivel geschreven worden. De Joden waren verblind, de synagoge was een leerschool van de satan, en de paus en zijn trawanten smeedden een duivels complot tegen de ware kerk van Christus. De anti-christ zat hier achter, dat was zeker. Het evidente falen van de theologen om een ‘eenduidige objectieve iedereen overtuigende leer’ uit de bijbel af te leiden, heeft ook z’n gevolgen voor de academische status van de theologie. Aan het begin van de zestiende eeuw stond ze nog hoog aangeschreven, en verwachtten velen van haar nog een echt antwoord op de levensvragen (met kleine en grote L). Een eeuw later liggen kerk en samenleving voor pampus omdat de theologen maar blijven twisten en zien we dat de wetenschappelijke avant-garde de theologische faculteit meer en meer links laat liggen en een eigen dynamiek begint te ontwikkelen. Dit geldt zowel voor natuurwetenschappers (geneeskunde, fysica) als voor taalgeleerden (die vooral filologisch, historisch en etnologisch bezig zijn). Luthers vanzelfsprekende verbinding van wetenschap en theologie valt uiteen. De rede emancipeert, de theologie blijft ter plaatse trappelen en verliest aan maatschappelijke relevantie.

 

Voetnoten

  1. The Catholic faithful are required to profess that there is an historical continuity — rooted in the apostolic succession — between the Church founded by Christ and the Catholic Church. … This Church, constituted and organized as a society in the present world, subsists in [subsistit in] the Catholic Church, governed by the Successor of Peter and by the Bishops in communion with him”, Aldus de huidige zelfdefinitie van de rooms-katholieke kerk volgens Vaticanum II. De formulering ‘subsistit in’ gaf hoop op erkenning van andere kerken, maar in latere documenten is nadrukkelijk gestipuleerd dat dat niet de bedoeling is. Daar zijn hoogstens ‘elementen van de waarheid’ te vinden: Extra ecclesiam nulla salus.