Vier soorten religie, één ware godsdienst

Niemand weet wanneer de Middeleeuwen begonnen of eindigden en geen enkele Middeleeuwer heeft zichzelf ooit als zodanig beleefd. Iedereen leeft voor zijn gevoel in een Nieuwe Tijd. Het zijn negentiende-eeuwse historici die de term hebben verzonnen om de periode tussen twee – in hun ogen – hoogtepunten van de West-Europese geschiedenis te benoemen: De klassieke oudheid en de veronderstelde Renaissance daarvan in de vijftiende eeuw, eerst in Italië en vandaaruit in de volgende eeuw uitwaaierend over geheel Europa: de periode van de Humanisten. Het tijdperk daartussen kreeg automatisch het epitheton ‘donker’ omdat men de beide andere periodes als verlicht beschouwde. Op die constructie valt bijzonder veel af te dingen. De termen zeggen meer over de bedenkers ervan dan over de periode die ze aanduiden, maar dat is hier niet van belang. Wat wel van belang is dat in de Oudheid, bij de Grieken en de Romeinen dus, het geen enkel probleem was over religies in meervoud te spreken, dit in tegenstelling tot de Middeleeuwen, toen er één religie was (al de rest was fout).

De Europese situatie: 4 soorten religie

Aan het eind van de Middeleeuwen, na bijna 1000 jaar christelijke hegemonie in het Latijnse Westen, waarvan de laatste paar honderd jaar ook werkelijk, was het voor iedereen wel duidelijk dat er maar één God was, de christelijke. Alle pre-christelijke goden en religies waren herinneringen geworden, vergelijkbaar met de Griekse en Romeinse, en de societas christiana was een feit, niet bedacht, maar gegroeid. Vanuit deze volledig van het christendom (in die onbewust syncretistische vorm die hierboven is geschetst) doordrenkte wereld keek men naar religies waarvan men vernam dat die buiten de christelijke gebieden beleden werden. Het oordeel lag al van tevoren vast: het was zeker geen dienst aan de enige echte God, maar een poging van de aartsvijand van God, de duivel, om de mensen van het ware Evangelie weg te houden, door die een ‘surrogaat’ aan te bieden. Twee van die perfide religies kende men in de christenheid bij name en in ’t echt: het Jodendom en de islam (toen meestal Mohammedanisme geheten).

Het Jodendom

De eerstgenoemde religie bestond uit mensen die maar niet wilden inzien dat Jezus de beloofde Messias (‘Christos’ in het Grieks) was, terwijl hun eigen geschriften, zo meenden de christenen toch, dat nota bene luid en duidelijk verkondigden. Wel vreemd, dat de mensen die de Geschriften zelf hadden geschreven, de Joden, en die ze in de oorspronkelijke taal dag-in dag-uit lazen, dat die dat anders zagen en maar niet overtuigd konden worden. Daar moest de duivel dus wel achter zitten. Die verblindt hun ogen en verduistert hun verstand. Vandaar dat het symbool voor de synagoge in de christelijke kunst een geblinddoekte vrouw is. Men verdroeg ze ternauwernood, en eigenlijk helemaal niet, in de christelijke wereld. Hun ‘er-nog-steeds-zijn’ was een constante kritiek op de waarheidsclaim van de Kerk.

De islam

De islam was een andere zaak. Dat was een gevaarlijke concurrent, een vijand. Moslims leefden niet in de christelijke wereld zoals de Joden, maar aan de rand ervan en rukten soms vervaarlijk ver op in wat christelijk gebied was: In 1492 waren ze net weer uit Spanje verdreven, na vele eeuwen present te zijn geweest. Via de Balkan kwamen ze op dat moment ook al snel weer dichterbij (Constantinopel was in 1452 gevallen) en in de zestiendeen zeventiende eeuw zouden ze tot tweemaal toe voor de poorten van Wenen verschijnen. Theologisch was men er snel klaar mee: Mohammed was een bedrieger, die zich voordeed als een profeet en de heilige Schriften verdraaide. Zo probeerde hij de mensen te misleiden. Duivelswerk, dat was zeker. En de duivel is de ‘vader der leugen’, dat weet toch iedereen. Tegenwoordig wordt er soms lyrisch gedaan over periodes van vreedzaam samenleven van de drie Schriftreligies, m.n. in Spanje (’El Andalus’), maar dan vergeten we dat dat uitzonderingen waren die enkel konden bestaan onder een autocratisch bewind, en vervolgens ook telkens weer bezweken onder druk van zeloten, van afwisselend islamitische en christelijke strekking. Trouwens: strategisch toestaan van andere religies omdat je de mensen en hun kennis en kunde kunt gebruiken vanuit een machtspositie is nog niet helemaal hetzelfde als ‘tolerantie’ in de moderne zin van dit woord. Ook Franciscus van Assisi’s legendarische bezoek aan de sultan in 1219 worde in zijn historische context gelezen. De ‘minderbroeders’ begaven zich als schapen temidden der wolven om Christus te prediken aan de ongelovigen (zo staat het letterlijk in het oudste verslag). De biografie van Bonaventura introduceert dit bezoek zelfs expliciet als een poging van Franciscus tot het verwerven van het ‘martelaarschap’. Maar dit terzijde.

De exotische religies

Aan de rand van de wereld – in het Verre Oosten dus –, zo wist men uit klassieke bronnen en sinds Marco Polo ook uit de eerste hand, leefden ook nog volken, die er allerlei vreemdsoortige gebruiken en rituelen op nahielden, maar die tevens een hoge vorm van beschaving aan de dag legden. De legendes die over deze wereld verder nog de ronde deden, maken duidelijk dat er uiteindelijk weinig reële kennis aanwezig was. Ze schetsen een exotisch, curieus beeld, met trekken van een etnografische freakshow. Men leze Umberto Eco’s Baudolino of bezie het timpaan in Vézélay voor meer détails. Deze volkeren met hun rituelen waren randverschijnselen, net zo vreemd als de bijbelse volkeren met hun Baäls en Astartes (Kanaänitische vruchtbaarheidsgoden) waar de oudtestamentische profeten zo tegen tekeer waren gegaan. Van één ding was men zeker: Ooit zullen alle volkeren Christus erkennen als Heer, is het niet middels conversio (bekering) dan wel via subversio (onderwerping). Kortom: er is maar één godsdienst op aarde die naam waardig, en dat is de christelijke. En als men zich in een land bevindt waar die godsdienst beoefend wordt, dan zit men goed.

De ketters: the enemy within

Het christendom is niet de ware godsdienst (alsof er andere zouden zijn), het is gewoon de enige godsdienst, al de rest is bedrog en/of duivelswerk, afgoderij. Vera religio is een intern christelijkek qualifier. Het duidt erop dat je God waarachtig dienen moet, gemeend, van binnenuit. De term ‘religio’ duidt dus op de aan God verplichte dienst, die bestaat in gebeden, rituelen, maar die ook zit in de ordening van het leven. De koning is er ‘bij de gratie Gods’ en de wetten zijn niet des mensen maar des Heren. Ook de natuur is door deze God geschapen. Reeds vroeg in de Middeleeuwen incorporeerden christelijke denkers en kerkjuristen de klassieke Romeinse notie van de ‘natuurwet’ in hun theologie. Dat die wet geen andere kon zijn dan de goddelijke, spreekt voor zich. De soms hevige betwistingen of de kerk bij de invulling en beoefening van die dienst aan God het wel helemaal goed deed, waren geen discussies tussen godsdiensten of denominaties, maar een strijd om de orthodoxie en orthopraxie (de juiste leer en het juiste leven) binnen de enige godsdienst. Verliezers werden gediskwalificeerd als ketters en meestal tamelijk efficiënt onderdrukt met behulp van de wereldlijke overheid. Dat God op een verkeerde wijze (falsa religio) zou worden gediend was onacceptabel. Achter ketterijen zit de duivel en die moet te vuur en te zwaard bestreden worden. Hij kaapt immers voortdurend de menselijke faculteit om God te dienen en spant die voor zijn eigen karretje. De duivel is nooit origineel, hij kan zelf niets creëren, hij kan enkel God imiteren, nadoen. Hij is de aartsplagiator. Binnen de christelijke wereld probeert hij dat middels ketterse bewegingen. Daarin bootst de duivel de ‘kerk’ na terwijl ze stukken daarvan vervalst. De duivel is Gods aap. Hij kan leerstukken vervalsen, ceremoniën en rituelen parodiëren, de levenswandel (ethiek) perverteren en zo de hele Kerkorde verstoren. De katharen boden zelfs een volledig alternatief met hun ‘tegenkerk’ en moesten dan ook volledig worden uitgeroeid. Leerstellige ketterijen werden het gemakkelijkst geneutraliseerd: verbranding van de geschriften en de belangrijkste ketters volstond. Voordat de boekdrukkunst een snelle en grote verspreiding van gedachten mogelijk maakte, was ketterij zodoende heel vaak een lokaal verschijnsel. De grens tussen ketterij en rechtmatig protest was trouwens soms flinterdun, temeer daar over veel zaken in de kerk het laatste woord ook nog niet gezegd was en Rome ook niet alles kon controleren. Daarom kon Pietro Valdes, die met de armen van Lyon paarsgewijs rondtrok, het evangelie predikend, levend in armoede, veroordeeld worden als ketter, terwijl zijn spirituele tweelingbroer Franciscus van Assisi die ongeveer hetzelfde deed, heilig verklaard kon worden, weliswaar ook na op het nippertje aan de ketterveroordeling te zijn ontsnapt. Idem voor leerstellige ketterijen: Thomas van Aquino had het tijdens zijn leven behoorlijk lastig om ‘binnen het toenmalige kader’ te blijven, vooral omdat hij de heidense filosoof Aristoteles zo’n royale plaats gaf binnen zijn denken. Hij moest nog door zijn alom gerespecteerde leermeester, Albertus de Grote, worden verdedigd tegen de aanklacht van ketterij, terwijl enkele eeuwen later zijn denkwereld dominant is geworden en zijn ‘systeem’, het Thomisme, quasi heilig verklaard wordt als de rooms-katholieke kerk tegenover de chaos van de protestanten klaarheid willen scheppen (concilie van Trente). Van ketter tot doctor ecclesiae.

God dienen of niet… that’s the question

De godsdienstige wereld was dus geen wereld zonder strijd, de christenheid was ook absoluut geen monolithisch uniform blok, maar op zich was het in de kern van de geloofsopvatting overzichtelijk. Je had maar twee mogelijkheden: je diende God correct, dan was je christen. Je diende God verkeerd, dan was je of een Jood, of een moslim, of een afgodendienaar. En achter deze laatste drie zat de duivel. Andere mogelijkheden waren er niet. Irreligiositeit was geen optie, niet omdat het niet was toegestaan, maar gewoon omdat het ondenkbaar, onvoorstelbaar was. Men kon God niet nìet dienen. Dat was een ontologische onmogelijkheid. Een atheïst was geen theoretische godloochenaar, maar een praktische: hij leefde alsof God niet bestond terwijl Hij natuurlijk wèl bestond. Zijn portret wordt al geschetst in het boek der Psalmen. Daar heet hij een ‘dwaas’. Dominant tot ver in de Nieuwe Tijd was dus de Middeleeuwse indeling van alle religieuze verschijnselen in vier groepen: christenen, Joden, moslims en afgodische heidenen. De laatste categorie was de restgroep, die alles omvatte wat niet in één van de eerste categorieën thuishoorde. Men kende die categorie eigenlijk alleen van horen zeggen. Ze kwamen in de Bijbel voor, m.n. in het Oude Testament. Ze dienden ‘afgoden’. Die konden mannelijk en vrouwelijk zijn (Baäl en Astarte). Ze maakten beelden en vereerden die en brachten daar offers voor. Wat in de Bijbel stond, werd bevestigd in de geschriften uit de klassieke oudheid, waarin men over soortgelijke gebruiken las, maar dan rond Griekse en Romeinse goden. Dit was allemaal heidendom, afgoderij. Er is maar één God, de christelijke. Er zijn dus geen andere religies waarmee je fijn moet samenleven, neen, er is afgoderij en die moet uitgeroeid worden. Voorbeeldverhalen te over – opnieuw – in de Bijbel, m.n. in het Oude Testament: Denk aan de profeet Elia, die de Baälspriesters uitdaagt, verslaat en vervolgens eigenhandig ombrengt. Ook in de christelijke traditie zelf waren talrijke heiligenverhalen te vinden, waarvan de grootste die waren die Europa van de afgodendienst hadden gezuiverd: In onze contreien: Amandus, Willibrord, Bonifatius. Verhalen over het omhakken van afgodenbeelden en de vernietiging van cultusobjecten behoorden tot het standaardmateriaal van elke verteller. Talrijk waren de martelaren en vooral martelaressen wier levensverhaal (stervensverhaal) was opgebouwd als een heroïsche weigering van het aanbidden van een of andere heidense god, hetzij romeins, hetzij van latere Europese snit. Hoe exotischer hoe beter!

Spannend wordt het als men in de 16de eeuw plots opnieuw met vreemde religies wordt geconfronteerd, maar dan echt bestaande: De ontdekking van de ‘Nieuwe Wereld’ maakte de oude discussies plots weer brandend actueel.

Auteur: dwursten

theoloog, historicus, en inspecteur/pedagogisch begeleider voor het godsdienstonderwijs in Vlaanderen.

Der Aufbruch

Ich befahl mein Pferd aus dem Stall zu holen. Der Diener verstand mich nicht. Ich ging selbst in den Stall, sattelte mein Pferd und bestieg es. In der Ferne hörte ich eine Trompete blasen, ich fragte ihn, was das bedeutete. Er wusste nichts und hatte nichts gehört. Beim Tore hielt er mich auf und fragte: »Wohin reitet der Herr?« »Ich weiß es nicht«, sagte ich, »nur weg von hier, nur weg von hier. Immerfort weg von hier, nur so kann ich mein Ziel erreichen.« »Du kennst also dein Ziel«, fragte er. »Ja«, antwortete ich, »ich sagte es doch: ›Weg-von-hier‹ – das ist mein Ziel.« »Du hast keinen Eßvorrat mit«, sagte er. »Ich brauche keinen«, sagte ich, »die Reise ist so lang, daß ich verhungern muß, wenn ich auf dem Weg nichts bekomme. Kein Eßvorrat kann mich retten. Es ist ja zum Glück eine wahrhaft ungeheure Reise.«

Franz Kafka, Erzählungen aus dem Nachlaß (1904-1924)

[Der Aufbruch, met vertaling en kort commentaar]

Alors n’admettant plus d’autorité visible
Chacun fut de la foi, censé juge infaillible 
Et sans être approuvé par le clergé romain
 
Tout protestant fut pape, une Bible à la main.

Nicholas Boileau, Satire XII, sur l’équivoque

proeve van vertaling: 
Wanneer uitwendig gezag niet meer wordt geaccepteerd,
 
vindt elkeen zich qua geloof onfeilbaar en geleerd.
 
En zonder approbatie door de geestelijke stand
 
wordt elke protestant een paus met de bijbel in zijn hand
.

Over Scherpenheuvel een excurs in hoofdstuk 2, over hoe deze magische ‘eik’ tot een ‘Mariaburcht’ werd omgevormd. Afbeeldingen en korte historie in een aparte post.

diesseitig = op het aardse leven gericht

voor de Hollandse lezers: spijkers

Ik verzeker jullie: al wat jullie op aarde bindend verklaren zal ook in de hemel bindend zijn, en al wat jullie op aarde ontbinden zal ook in de hemel ontbonden zijn. Mattheüs 18, vers 18

En ik zeg je: jij bent Petrus, de rots waarop ik mijn kerk zal bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet kunnen overweldigen. 19 Ik zal je de sleutels van het koninkrijk van de hemel geven, en al wat je op aarde bindend verklaart zal ook in de hemel bindend zijn, en al wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn.’  Mattheus 16:18-19

‘Onze Lieve Heer op zolder’ is de negentiende eeuwse naam van de schuilkerk die de rooms-katholieken in de zeventiende eeuw inrichtten op de zolder van een groot (gecombineerde) herenhuis aan de Amsterdamse Oudezijds Voorburgwal. Van binnen een kerk, van buiten niets bijzonders te zien.

In het Nederlands: ‘En Ik zal een plaats aanduiden voor mijn volk, voor Israel, en het planten, zodat het op zijn eigen plaats kan wonen, die ze nooit meer zullen moeten te verlaten.’

Philadelphia is ook de naam van een van de zeven gemeenten in Klein-Azië, waaraan de ‘engel van de Heer; een brief zendt in het visioen van de ziener van Patmos, beter bekend als ‘de openbaring aan Johannes’, of ‘de Apocalyps’. Van de zeven steden is Philadelphia de enige waarvan enkel goede punten naar voren worden gehaald.

“When in the Course of human events, it becomes necessary for one people to dissolve the political bands which have connected them with another, and to assume among the powers of the earth, the separate and equal station to which the Laws of Nature and of Nature’s God entitle them, a decent respect to the opinions of mankind requires that they should declare the causes which impel them to the separation.”

In de negentiende eeuw was dit nog een neutrale term, misschien gevoelsmatig eerder afgeleid van sequi (volgen) dan van secare (scheiden). Een correcte vertaling lijkt me ‘stroming’.

Aux États-Unis, lorsqu’un homme politique attaque une secte, ce n’est pas une raison pour que les partisans mêmes de cette secte ne le soutiennent pas; mais s’il attaque toutes les sectes ensemble, chacun le fuit, et il reste seul. Pendant que j’étais en Amérique, un témoin se présenta aux assises du comté de Chester (État de New York) et déclara qu’il ne croyait pas à l’existence de Dieu et à l’immortalité de l’âme. Le président refusa de recevoir son serment, attendu, dit-il, que le témoin avait détruit d’avance toute la foi qu’on pouvait ajouter à ses paroles. Les journaux rapportèrent le fait sans commentaire.

“J’ai dit plus haut que je considérais les mœurs comme l’une des grandes causes générales auxquelles on peut attribuer le maintien de la république démocratique aux États-Unis. J’entends ici l’expression de mœurs dans le sens qu’attachaient les Anciens au mot mores; non seulement je l’applique aux mœurs proprement dites, qu’on pourrait appeler les habitudes du cœur, mais aux différentes notions que possèdent les hommes, aux diverses opinions qui ont cours au milieu d’eux, et à l’ensemble des idées dont se forment les habitudes de l’esprit. Je comprends donc sous ce mot tout l’état moral et intellectuel d’un peuple.”

Al de Schrift is van God ingegeven en kan dienen tot onderricht, om fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een deugdzaam leven. Tweede brief van Paulus aan Timotheüs, hoofdstuk 3, vers 16

Eén van de header-images van het jubileumnummer van Vogue (125 jaar).
De verwijzing stond in Het Nieuwsblad van 3 april 2017

Peter Berger (1929-2017) was een invloedrijk godsdienstsocioloog. Zijn boek uit 1967 The Sacred Canopy vestigde zijn naam op dit terrein. In dit boek combineerde hij de secularisatiethese van Weber met zijn eigen visie op religies als ‘sociale constructies’. Al snel zag hij de blikvernauwing. In de jaren 1990 stelde hij dat Moderniteit leidt tot pluraliteit (als feit) op religieus terrein en dus tot de vaststelling dat men niet meer op dezelfde manier religieus kan zijn als vroeger, nl. vanzelfsprekend. Dit kan vervolgens zowel tot relativitering als tot fundamentalisering van het religieuze leiden. Secularisatie is dan een optie (Europa), maar geen dwingend gevolg.

Lees iets meer op deze post

“Pour connaître et juger une société, il faut arriver à sa substance profonde, au lien humain dont elle est faite et qui dépend des rapports juridiques sans doute, mais aussi des formes du travail, de la manière d’aimer, de vivre et de mourir.”

Merleau-Ponty, Humanisme et terreur, p. X

“Alors que tout dans la politique comme dans la connaissance montre que le règne d’une raison universelle est problématique, que la raison comme la liberté est à faire dans un monde qui n’y est pas prédestiné, ils préfèrent oublier l’expérience, laisser là la culture, et formuler solennellement comme des vérités vénérables les pauvretés qui conviennent à leur fatigue.” (Merleau-Ponty, humanisme et terreur, p. xxxvii-xxxviii) NB : Het is 1947.

“Men moet bij dit volk de tempels van hun afgoden volstrekt niet verwoesten, maar alleen de afgodsbeelden, die daarin zijn. Dan moet men wijwater gereed maken om de heiligdommen daarmee te besprengen, altaren bouwen en daarin relikwieën plaatsen. Want als deze tempels goed gebouwd zijn, moeten zij veranderd worden van cultusplaatsen der demonen tot de dienst van de ware God. Als dan het volk zelf ziet dat zijn tempels niet verwoest worden, kan het zijn dwaling van harte afleggen, de ware God erkennen en aanbidden en naar oude gewoonte samenkomen op de vertrouwde plaatsen … Want het is beslist onmogelijk, dat men voor hun grove zielen ineens alles afsnijdt, omdat immers hij, die de hoogste top wil beklimmen zich trapsgewijs, stap voor stap, maar niet met sprongen omhoogwerkt.”

(brief aan abt Melitto, opgenomen in Beda’s geschiedenis van Engeland).

Giles Képel, La Revanche de Dieu. Chrétiens, juifs et musulmans à la reconquête du monde (1991)

Meine Gesellschafft bestund auß vielerley Sort Leuten / da war ein D. Medicinae mit seinem Weib und 8. Kindern / ein Frantzos. Capitain / ein Niederteutscher Kuchenbecker / ein Apothecker / Glaßblaser / Maurer / Schmidt / Wagner / Schreiner / Küfer / Hutmacher / Schuster / Schneider / Gärtner / Bauern / Näderinnen / &c. in allem etlich und 80. Personen / ausser dem Schiffvolck. Solche nun sind nicht nur ihrem Alter (massen unsere älteste Frau 60. Jahr / das jüngste Kind aber nur 12. Wochen alt waren) und nunerwehnten Handthierung nach unterschieden / sondern auch so differenten Religionen und Wandels / daß ich die Schiff / welche sie anhero tragen / nicht unfüglich mit der Archen Noä vergleichen könte / wofern nicht mehr unreine / als reine (vernünfftige) Thier darinnen befindlich. Unter meinem Gesinde habe ich / die es mit der Römischen / mit der Lutherischen / mit der Calvinischen / mit der Widertäufferischen / und mit der Englischen Kirche halten / und nur einen Quäcker. (geciteerd bij Weaver, p. 303)

Deel 1: Religie, een genealogisch onderzoek

God is terug van (nooit) weggeweest. Daar is iedereen het over eens. Maar hoe je zijn presentie in het publieke domein nu moet duiden, is een andere zaak. Een lastige ook, omdat meer en meer mensen hun god willen dienen op een manier die andere mensen niet bevalt. In dit essay vragen ons waar dat toch vandaan komt, die ‘religieuze kwestie’, een genealogisch onderzoek naar religie dus.

https://dick.wursten.be/janleyerseffect.htm

Bij palmbomen legt men een zware steen in de kruin. Hierdoor groeien ze rechter omhoog en worden steviger. ‘Tegen de verdrukking in groeien’.

José de Acosta, Historie Naturael…
Titelpagina van de 2de druk van de Nederlandse vertaling (1624)


Olivier Roy (1949) is van de meest vooraanstaande kenners van de islam in Europa. Hij was jarenlang verbonden aan het Franse Centre National de la Recherche Scientifique. Voordien was hij adviseur van de Verenigde Naties inzake Afghanistan (1988) en in 1993-1994 werkzaam in Tadzjikistan voor de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE). Zijn academische graad behaalde hij als filosoof en hij doctoreerde in de Perzische cultuur- en taalwetenschappen. Hij was onderzoeksdirecteur van het Centre National de la Recherche Scientifique in Frankrijk en is verbonden aan het European University Institute in Florence. In Frankrijk is hij een van de opinieleiders in het debat over de aanpak over het jihadisme. Hij vindt de religieuze component uiterste belangrijk om te begrijpen, maar stelt tegelijk dat ze ‘gekaapt’ wordt (via psycho-sociale mechanismen zeer verwant aan die van sektes) door de leiders van IS. Het geeft de extremisten de kans hun nihilisme te verkopen als een paradijsbelofte. Zowel ter bestrijding als ter voorkoming moet hier volgens hem met dit feit rekening worden gehouden. De in het eerste hoofdstuk genoemde Gilles Képel ziet dat heel anders.

Meer info over deze cantate vindt u hier.  Maar dit spoor hoeft u nu niet te vervolgen. In dit essay is Bach die musiceert in Weimar enkel een opstapje naar een verhaal over hoe de bevrijdingsgedachte (het ‘Exodus’ motief) de (kerk)geschiedenis van West-Europa heeft getekend.

Duits-Amerikaans theoloog (1886-1965). Volgens hem was religie de dieptedimensie van de menselijke cultuur en gaat het dus over God als mensen bezig zijn met wat hen ten diepste aanbelangt: The Ultimate Concern, The Ground of Being. Heidegger is nooit ver weg. In de drie delen van zijn Systematic theology (1951-1963; 3 dln.) zet hij  zijn theologische zijnsleer (ontologie) uiteen, waarbij hij theologie en filosofie ineenknoopt. In deel 1 brengt hij die essentiële en dus onoplosbare spanning op een drievoudige noemer: Freedom & Destiny, Dynamics & Form, Individiualisation & Participation. In die spanning moet een mens leven, het volhouden: The Human Predicament. En dat is goed, want beide polen hebben elkaar nodig. Zo wordt de mens wie hij is. Niet slecht gezien van Tillich.

Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout zijn kracht verliest, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden. Gij zijt het licht der wereld. Een stad, die op een berg ligt, kan niet verborgen blijvenOok steekt men geen lamp aan en zet haar onder de korenmaat, maar op de standaard, en zij schijnt voor allen, die in het huis zijn. Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken.
(Fragment uit de zogeheten Bergrede van Jezus. Evangelie naar Mattheüs, hoofdstuk 5, verzen 13-16)

De ware dienst aan God (godsdienst, eredienst) wordt in het Nieuwe Testament door de apostel Paulus vergeleken met ‘het ware offer’. Zo wordt dus de ware religie een ‘Gode welgevallig offer’ (Romeinen 12) en dus een ‘welriekende reuk‘ in Gods neusgaten (Efeze 5). Hier de Schriftplaatsen:

Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst. (Romeinen 12, 1). Weest dan navolgers Gods, als geliefde kinderen, en wandelt in de liefde, zoals ook Christus u heeft liefgehad en Zich voor ons heeft overgegeven als offergave en slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk(Efeziërs 5, 1-2)

Franz Daniel Pastorius (1651-ca. 1720) werd geboren in een welgestelde familie uit Sommerhausen. Hij studeerde rechten aan de universiteit van Altdorf, Straatsburg en Jena. Hij begon een rechtspraktijk in Bad Windsheim. Na een conflict verhuisde hij naar Frankfurt am Main. In 1683 werd Pastorius de agent van een groep ondernemers uit Frankfurt (de ‘Saalhof-piëtisten’), om een stuk land in Pennsylvania te verwerven en klaar te maken voor verdere exploitatie. In opdracht van dze Frankfurter Land Compagnie reisde hij via Rotterdam naar London, nam een optie op 20.000 acres en vertrok. Eens in Philadelphia aangekomen, ontmoette hij William Penn en verwierf het grondgebied van wat ‘Germantown’ zou worden (nu een wijk in Philadelphia). Zelf hoog opgeleid (‘homo universalis’), werd hij al snel de burgervader van dit kleine settlement en zette zowel de civiele, juridische als educatieve infrastructuur op poten. Zijn brieven aan het thuisfront (Sichere Nachricht, Umständige Beschreibung) zijn bedoeld om immigranten te overtuigen, maar wijken af van het genre door hun tamelijk ‘eerlijke’ weergave van het leven aldaar. Ook de beschrijvingen van (autochthone) bevolking, landschap, cultuur, zijn nog steeds interessant. Pastorius’ naam is verder nog verbonden met de eerste petitie tegen de slavernij in 1688, gericht aan een vergadering van Quakers. Ook als dichter (Latijn) en als spreekwoordenverzamelaar (the Bee-hive) heeft hij een zekere naam.

meer in deze post, of op de Engelse wikipediapagina.

Referentie: de grondige en vernieuwende studie van John Weaver, Franz Daniel Pastorius and Transatlantic Culture: German Beginnings, Pennsylvania Conclusions (Potsdam, 2013). Zowel PDF als POD: https://www.pastorius.info/

OVERZICHT

(in dit verhaal – essay 3, the Great Migration – gaat het over de kleine strook aan de Noord-Westkust : Massachusetts):

Europese settlements in Noord-Amerika ca. 1650

INGEZOOMD:

New England settlements ca. 1640

De STEDEN waarvan sprake zijn rood-omcirkeld. Ook de namen van de autochtone bewoners staan erbij:

Salem, Boston, Providence, Plymouth

Overzichtskaart 1685 (Amsterdam, 1685, Visser-Schenk jr.) met de Nederlandse namen. Daaronder ingezoomd op Philadelphia (de eerste stad met een typisch Amerikaanse plattegrond). Grotere afbeeldingen op de aparte post: http://religie.wursten.be/kaart-van-de-nieuwe-wereld-1685/

 

 

Fascinerend is in dit opzicht de beroemde Mappamundi van Pierre Desceliers (1550). Cartografisch is deze top of the notch, maar de verklarende teksten zijn nog even legendarisch als de Middeleeuwse fantasiekaarten.

wereldkaart 1550 desceliers
Mappa Mundi van Pierre Desceliers (ca. 1550)

Voor meer info deze post

Europa en Amerika zitten nog aan elkaar vast

gastaldi forlani
Wereldkaart. Venetië, Forlani 1565 (naar Gastaldi 1546)

 

Europa en Amerika zijn gescheiden

Ortelius wereldkaart
Ortelius, Antwerpen 1570

Maurice Merleau-Ponty (1908-1961).

Filosoof, in wiens denken de waarneming een fundamentele rol speelt in ons begrijpen van de wereld. Hij hoort dus bij de fenomenologische school (Husserl, Heidegger). Hij valt op doordat hij bewust het gesprek (ook kritisch) zoekt met de wetenschappen, en wel vooral met de psychologie. In een latere fase van zijn denken gaat de lichamelijkheid van de mens hierin een grote rol spelen. Volgens Merleau-Ponty is het lichaam namelijk het eerste en belangrijkste middel dat de mens heeft om de wereld te (ver)kennen. Hiermee slaat hij duidelijk een andere weg in dan de klassieke filosofische traditie, die het bewustzijn als vertrekpunt van kennis nemen. Deze nadruk op de lichamelijkheid (of breder: ‘het lichamelijk in de wereld zijn’) betekende dat Merleau-Ponty de fenomenologie eigenlijk verdiepte tot ze als het ware een indirecte ontologie werd. Zie hiervoor vooral zijn postuum gepubliceerde werken, Le Visible et l’invisible (1964) en L’Œil et l’esprit (1960).

further reading: het lemma in Stanford Encyclopedia of Philosophy