Meerdere erkende religies: werkt dat?

Eerst een ‘résumé’ om helder krijgen hoe het ook al weer zat met die ‘vrijheid van godsdienst’ en hoe anders de geschiedenis daarvan is verlopen in het oude Werelddeel Europa, waar de religie zich zo diep in de cultuur had genesteld, dat ze er niet uit te krijgen was… En dat hoeft misschien ook niet, als je het maar goed ‘begeleidt’. Dat was de filosofie van alle staten in Europa toen ze de ‘vrijheid van godsdienst’ invoerden. Ze verdeelden de koek… in de hoop zo zelf aan de touwtjes te kunnen blijven trekken. Maar dat klonk makkelijker dan het was. Religion is an unruly thing.

De problemen van ‘Governed Religion’

De verdere ontwikkeling van deze vorm van godsdienstvrijheid, verankerd in de wetgeving, heeft geschiedenis geschreven, ook in Europa, zij het – zoals al gemeld – met dit ene opvallende verschil dat de vrijheidsclausule wel terug te vinden is in moderne (post-Napoleontische) Europese wetgevingen en zeker in de diverse formuleringen van de rechten van de mens na WO II, maar dat de non-establishment clausule hier niet echt is aangeslagen. Wie de situatie in Europa in ogenschouw neemt zal snel vaststellen dat hier een heel scala aan vormen van staatssteun is ontwikkeld, verschillend per land, en meestal prima te verklaren vanuit de historische achtergrond. Godsdienst is een cultureel gegeven dat in een lange traditie wordt doorgegeven, dus dat de wetgeving zich daarop ent is niet zo vreemd, zij moet de realiteit regelen, niet de idealen formuleren. Bijna overal is men van mening geweest (en is dat vaak nog) dat multiple establishment, wettelijk geregelde overheidssteun aan meerdere religieuze instituten, de vrijheid van godsdienst niet zou schaden. Ik betwijfel dat. Het voorbeeld van België, dat ik hierboven schetste, liet al zien dat zelfs zoiets onschuldigs als het uitzetten van een wettelijk kader waarbinnen men religieuze uitingen wil ondersteunen, al  invloed heeft op de vrijheid van een mens om z’n religie vorm te geven. Zo gauw je religie gaat formuleren als categorie (denkvorm) die een stuk menselijke realiteit wil capteren, moet je dus oppassen dat je de vrijheid van godsdienst geen geweld aandoet. Zeggen dat je dat niet doet, is niet voldoende. The proof of the pudding is in the eating.

Nu moeten we van rechters en juristen die de godsdienstvrijheid willen regelen geen omvattende wetenschappelijke definitie van wat religie is, verwachten. Hoe zouden rechters kunnen waar godsdienstwetenschappers falen? Het is echter wel de taak van de rechterlijke macht om er op toe te zien, dat àls er een vorm van steun is aan religieuze instellingen dat dit dan niet leidt tot discriminatie of wegdrukken van andere vormen van religie of religiositeit. Een open religiebegrip hanteren en daarbij een grote ‘margin of appreciation’ toe te staan, is de manier waarop men probeert dat te doen. Of dat voldoende is, betwijfel ik. Het punt verdient in elk geval meer aandacht dan het krijgt. Wie enig gevoel heeft voor de gulzigheid van de religieuze idenitifer, stelt namelijk ook al snel vast dat dit niet alleen leidt tot een verschraling van de ‘sources of the self’, maar ook tot een monochroom worden van het religieuze aspect van de persoonlijke en groepsidentiteit. De religieuze identifier die zich het best kan profileren duwt de andere articulaties van religie, ook binnen de eigen religieuze stroming, naar de achtergrond. Ook hier is er een subtiele interactie waarneembaar tussen de manier waarop de maatschappelijk perceptie van ‘religie’ zich meldt en de wijze waarop religieuze instituties daarop inspelen. Volgens mij zijn veel van de maatschappelijke spanningen rond de plaats van religie in de publieke ruimte, te herleiden tot een niet-bewustzijn (en dus ook niet-rekenschap geven) van het kwikzilverige karakter van het menselijk fenomeen dat wij religie noemen. Hier komt nog bij dat ‘governed religion’ (de term voor het ‘juridische construct’ waarmee politici en rechters opereren) gevangen zit tussen ‘expert religion’ (het ‘theologisch en godsdienstwetenschappelijk construct’ waarmee wetenschappers allerhande de politici en wetgevers bijstaan) en ‘lived religion’ (de activiteit van mensen die interageren met een religieuze autoriteiten, teksten, rituelen en hun medemensen en proberen hun plaats in de wereld te bepalen, al dan niet onder te brengen in één van de bovengenoemde constructen). De enorme spanningen die dit oplevert wordt bijzonder duidelijk als we onze blik richten op de wijze waarop de religievrijheid als mensenrecht functioneert.

Godsdienst als mensenrecht (UN en EVRM)

Na de verschrikkingen van WO II kwam de VN met een universele verklaring van de rechten van de mens. Eén van de hierin opgenomen rechten is de godsdienstvrijheid. Geheel in de lijn van de Amerikaanse Bill of Rights is godsdienstvrijheid ook hier een ‘onvervreemdbaar’ recht dat ieder mens heeft om de simpele reden dat hij ‘mens’ is. Dat wil niet zeggen dat dit recht overal afdwingbaar is want de mensenrechten worden enkel van kracht als een staat ze ratificeert. Het is misschien nuttig om toch de standaardformulering eens te citeren. Omdat de Europese versie de meest recente is en de referentie voor onze wetgeving laat ik het handvest van de VN verder voor wat het is en richt ik mij op artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Hierin wordt de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst gegarandeerd. Kenmerkend voor dit verdrag is de tweeledigheid van de artikelen, waarbij het tweede lid de grenzen aangeeft van de in het eerste lid omschreven vrijheid. Omdat ik er verderop nog op terugkom, geef ik ook de Engelse en Franse variant van de basistermen, kunt u meteen zien hoeveel misverstanden er mogelijk zijn. Op sommigen van die semantische kwesties ga ik nog nader in.

  1. Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst (thought, conscience, religion; pensée, conscience, religion); dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging (religion or belief; religion ou conviction) te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten (worship; culte) , in onderricht, in praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften (practice and observance; les pratiques et l’accomplissement des rites).
  2. De vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Wat opvalt is dat in het EVRM de vrijheid van meningsuiting (artikel 10) in een apart artikel wordt geregeld. ‘Gedachte, geweten en religie’ worden dus als een aparte categorie gezien en zijn dus als zodanig bescherming waardig. ‘Religieuze overtuigingen’ zijn dus iets anders dan ‘meningen’. Dit is meteen één van de weerkerende punten van kritiek op het artikel over de ‘godsdienstvrijheid’, met name van de zijde van de atheïsten. Religieuze overtuigingen zijn immers ook maar meningen, en niet alleen in hun ogen. Dat vinden religieuze mensen ook, maar dan toch voornamelijk voor de religieuze overtuigingen van andere religies dan de eigen. Zoals Etienne Vermeersch zegt: Gelovigen zijn selectieve atheïsten, nl. enkel ten aanzien van hen vreemde religies. Vandaar dat sommigen het niet fair vinden dat mensen die zich tot een bepaalde religie bekennen (om welke reden dan ook) meer rechten kunnen claimen voor hun gedrag en overtuigingen ‘zowel openbaar als privé’ als iemand die zich niet identificeert als aanhanger van een religie. Als ik veganist ben kan ik op een congres niet eisen dat men mij daar met een glimlach een veganistische alternatief voor de standaardmaaltijd opdist. Ben ik echter Jainist (d.w.z. is mijn veganisme onderdeel van mijn religieuze overtuiging) dan kan ik dit op z’n minst proberen door te verwijzen naar discriminatie op grond van religie. Niet dat dit proces meteen gewonnen is – er geldt ook nog zoiets als proportionaliteit etc. – maar je kunt in elk geval proberen om er een zaak van te maken. Een cynische formulering van hetzelfde fenomeen: Iedereen in België begaat een strafbaar feit als hij onverdoofd een schaap slacht, behalve als je moslim bent of Jood. Dan kun je terugvallen op artikel 9. Hoezo, allemaal gelijk voor de wet!? Het recht op vrijheid van godsdienst geeft m.a.w. privileges aan bepaalde groepen mensen, op gronden die eigenlijk geen objectieve basis zijn voor zo’n privilege. Immers vanuit een strikt ‘neutraal’ perspectief – d.w.z. handsoff in zaken van religie, ook wat de definitie betreft – zijn religieuze overtuigingen ook maar overtuigingen, opinies. Zij zouden door artikel 10 (en 11: vrijheid van vergadering) evengoed gedekt en beschermd zijn als andere opinies. De aparte vermelding van godsdienstvrijheid plaatst religie op een te hoog niveau, namelijk bij de primaire goederen waarzonder de mens niet mens zou kunnen leven (= de basisaanname voor de categorie ‘rechten van de mens’), terwijl de facto mensen prima kunnen functioneren zonder religie. Het is dus maar een ‘secundair goed’, d.w.z. het behoort tot die zaken die de mensen helpen om het leven te vervolmaken (‘perfectionist goods’)1. Nu wordt de soep niet zo heet gegeten als ze wordt opgediend. In een lange reeks uitspraken heeft het Hof gepoogd aan deze bezwaren tegemoet te komen.

Voetnoten

  1. Deze lijn van denken wordt in Vlaanderen sterk gerpomoot door Leni Franken. Bijv. in haar opstel ‘Naar een échte
    scheiding van kerk en staat’, in Sampol 2017/2

Auteur: dwursten

theoloog, historicus, en inspecteur/pedagogisch begeleider voor het godsdienstonderwijs in Vlaanderen.

Der Aufbruch

Ich befahl mein Pferd aus dem Stall zu holen. Der Diener verstand mich nicht. Ich ging selbst in den Stall, sattelte mein Pferd und bestieg es. In der Ferne hörte ich eine Trompete blasen, ich fragte ihn, was das bedeutete. Er wusste nichts und hatte nichts gehört. Beim Tore hielt er mich auf und fragte: »Wohin reitet der Herr?« »Ich weiß es nicht«, sagte ich, »nur weg von hier, nur weg von hier. Immerfort weg von hier, nur so kann ich mein Ziel erreichen.« »Du kennst also dein Ziel«, fragte er. »Ja«, antwortete ich, »ich sagte es doch: ›Weg-von-hier‹ – das ist mein Ziel.« »Du hast keinen Eßvorrat mit«, sagte er. »Ich brauche keinen«, sagte ich, »die Reise ist so lang, daß ich verhungern muß, wenn ich auf dem Weg nichts bekomme. Kein Eßvorrat kann mich retten. Es ist ja zum Glück eine wahrhaft ungeheure Reise.«

Franz Kafka, Erzählungen aus dem Nachlaß (1904-1924)

[Der Aufbruch, met vertaling en kort commentaar]

Alors n’admettant plus d’autorité visible
Chacun fut de la foi, censé juge infaillible 
Et sans être approuvé par le clergé romain
 
Tout protestant fut pape, une Bible à la main.

Nicholas Boileau, Satire XII, sur l’équivoque

proeve van vertaling: 
Wanneer uitwendig gezag niet meer wordt geaccepteerd,
 
vindt elkeen zich qua geloof onfeilbaar en geleerd.
 
En zonder approbatie door de geestelijke stand
 
wordt elke protestant een paus met de bijbel in zijn hand
.

Over Scherpenheuvel een excurs in hoofdstuk 2, over hoe deze magische ‘eik’ tot een ‘Mariaburcht’ werd omgevormd. Afbeeldingen en korte historie in een aparte post.

diesseitig = op het aardse leven gericht

voor de Hollandse lezers: spijkers

Ik verzeker jullie: al wat jullie op aarde bindend verklaren zal ook in de hemel bindend zijn, en al wat jullie op aarde ontbinden zal ook in de hemel ontbonden zijn. Mattheüs 18, vers 18

En ik zeg je: jij bent Petrus, de rots waarop ik mijn kerk zal bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet kunnen overweldigen. 19 Ik zal je de sleutels van het koninkrijk van de hemel geven, en al wat je op aarde bindend verklaart zal ook in de hemel bindend zijn, en al wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn.’  Mattheus 16:18-19

‘Onze Lieve Heer op zolder’ is de negentiende eeuwse naam van de schuilkerk die de rooms-katholieken in de zeventiende eeuw inrichtten op de zolder van een groot (gecombineerde) herenhuis aan de Amsterdamse Oudezijds Voorburgwal. Van binnen een kerk, van buiten niets bijzonders te zien.

In het Nederlands: ‘En Ik zal een plaats aanduiden voor mijn volk, voor Israel, en het planten, zodat het op zijn eigen plaats kan wonen, die ze nooit meer zullen moeten te verlaten.’

Philadelphia is ook de naam van een van de zeven gemeenten in Klein-Azië, waaraan de ‘engel van de Heer; een brief zendt in het visioen van de ziener van Patmos, beter bekend als ‘de openbaring aan Johannes’, of ‘de Apocalyps’. Van de zeven steden is Philadelphia de enige waarvan enkel goede punten naar voren worden gehaald.

“When in the Course of human events, it becomes necessary for one people to dissolve the political bands which have connected them with another, and to assume among the powers of the earth, the separate and equal station to which the Laws of Nature and of Nature’s God entitle them, a decent respect to the opinions of mankind requires that they should declare the causes which impel them to the separation.”

In de negentiende eeuw was dit nog een neutrale term, misschien gevoelsmatig eerder afgeleid van sequi (volgen) dan van secare (scheiden). Een correcte vertaling lijkt me ‘stroming’.

Aux États-Unis, lorsqu’un homme politique attaque une secte, ce n’est pas une raison pour que les partisans mêmes de cette secte ne le soutiennent pas; mais s’il attaque toutes les sectes ensemble, chacun le fuit, et il reste seul. Pendant que j’étais en Amérique, un témoin se présenta aux assises du comté de Chester (État de New York) et déclara qu’il ne croyait pas à l’existence de Dieu et à l’immortalité de l’âme. Le président refusa de recevoir son serment, attendu, dit-il, que le témoin avait détruit d’avance toute la foi qu’on pouvait ajouter à ses paroles. Les journaux rapportèrent le fait sans commentaire.

“J’ai dit plus haut que je considérais les mœurs comme l’une des grandes causes générales auxquelles on peut attribuer le maintien de la république démocratique aux États-Unis. J’entends ici l’expression de mœurs dans le sens qu’attachaient les Anciens au mot mores; non seulement je l’applique aux mœurs proprement dites, qu’on pourrait appeler les habitudes du cœur, mais aux différentes notions que possèdent les hommes, aux diverses opinions qui ont cours au milieu d’eux, et à l’ensemble des idées dont se forment les habitudes de l’esprit. Je comprends donc sous ce mot tout l’état moral et intellectuel d’un peuple.”

Al de Schrift is van God ingegeven en kan dienen tot onderricht, om fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een deugdzaam leven. Tweede brief van Paulus aan Timotheüs, hoofdstuk 3, vers 16

Eén van de header-images van het jubileumnummer van Vogue (125 jaar).
De verwijzing stond in Het Nieuwsblad van 3 april 2017

Peter Berger (1929-2017) was een invloedrijk godsdienstsocioloog. Zijn boek uit 1967 The Sacred Canopy vestigde zijn naam op dit terrein. In dit boek combineerde hij de secularisatiethese van Weber met zijn eigen visie op religies als ‘sociale constructies’. Al snel zag hij de blikvernauwing. In de jaren 1990 stelde hij dat Moderniteit leidt tot pluraliteit (als feit) op religieus terrein en dus tot de vaststelling dat men niet meer op dezelfde manier religieus kan zijn als vroeger, nl. vanzelfsprekend. Dit kan vervolgens zowel tot relativitering als tot fundamentalisering van het religieuze leiden. Secularisatie is dan een optie (Europa), maar geen dwingend gevolg.

Lees iets meer op deze post

“Pour connaître et juger une société, il faut arriver à sa substance profonde, au lien humain dont elle est faite et qui dépend des rapports juridiques sans doute, mais aussi des formes du travail, de la manière d’aimer, de vivre et de mourir.”

Merleau-Ponty, Humanisme et terreur, p. X

“Alors que tout dans la politique comme dans la connaissance montre que le règne d’une raison universelle est problématique, que la raison comme la liberté est à faire dans un monde qui n’y est pas prédestiné, ils préfèrent oublier l’expérience, laisser là la culture, et formuler solennellement comme des vérités vénérables les pauvretés qui conviennent à leur fatigue.” (Merleau-Ponty, humanisme et terreur, p. xxxvii-xxxviii) NB : Het is 1947.

“Men moet bij dit volk de tempels van hun afgoden volstrekt niet verwoesten, maar alleen de afgodsbeelden, die daarin zijn. Dan moet men wijwater gereed maken om de heiligdommen daarmee te besprengen, altaren bouwen en daarin relikwieën plaatsen. Want als deze tempels goed gebouwd zijn, moeten zij veranderd worden van cultusplaatsen der demonen tot de dienst van de ware God. Als dan het volk zelf ziet dat zijn tempels niet verwoest worden, kan het zijn dwaling van harte afleggen, de ware God erkennen en aanbidden en naar oude gewoonte samenkomen op de vertrouwde plaatsen … Want het is beslist onmogelijk, dat men voor hun grove zielen ineens alles afsnijdt, omdat immers hij, die de hoogste top wil beklimmen zich trapsgewijs, stap voor stap, maar niet met sprongen omhoogwerkt.”

(brief aan abt Melitto, opgenomen in Beda’s geschiedenis van Engeland).

Giles Képel, La Revanche de Dieu. Chrétiens, juifs et musulmans à la reconquête du monde (1991)

Meine Gesellschafft bestund auß vielerley Sort Leuten / da war ein D. Medicinae mit seinem Weib und 8. Kindern / ein Frantzos. Capitain / ein Niederteutscher Kuchenbecker / ein Apothecker / Glaßblaser / Maurer / Schmidt / Wagner / Schreiner / Küfer / Hutmacher / Schuster / Schneider / Gärtner / Bauern / Näderinnen / &c. in allem etlich und 80. Personen / ausser dem Schiffvolck. Solche nun sind nicht nur ihrem Alter (massen unsere älteste Frau 60. Jahr / das jüngste Kind aber nur 12. Wochen alt waren) und nunerwehnten Handthierung nach unterschieden / sondern auch so differenten Religionen und Wandels / daß ich die Schiff / welche sie anhero tragen / nicht unfüglich mit der Archen Noä vergleichen könte / wofern nicht mehr unreine / als reine (vernünfftige) Thier darinnen befindlich. Unter meinem Gesinde habe ich / die es mit der Römischen / mit der Lutherischen / mit der Calvinischen / mit der Widertäufferischen / und mit der Englischen Kirche halten / und nur einen Quäcker. (geciteerd bij Weaver, p. 303)

Deel 1: Religie, een genealogisch onderzoek

God is terug van (nooit) weggeweest. Daar is iedereen het over eens. Maar hoe je zijn presentie in het publieke domein nu moet duiden, is een andere zaak. Een lastige ook, omdat meer en meer mensen hun god willen dienen op een manier die andere mensen niet bevalt. In dit essay vragen ons waar dat toch vandaan komt, die ‘religieuze kwestie’, een genealogisch onderzoek naar religie dus.

https://dick.wursten.be/janleyerseffect.htm

Bij palmbomen legt men een zware steen in de kruin. Hierdoor groeien ze rechter omhoog en worden steviger. ‘Tegen de verdrukking in groeien’.

José de Acosta, Historie Naturael…
Titelpagina van de 2de druk van de Nederlandse vertaling (1624)


Olivier Roy (1949) is van de meest vooraanstaande kenners van de islam in Europa. Hij was jarenlang verbonden aan het Franse Centre National de la Recherche Scientifique. Voordien was hij adviseur van de Verenigde Naties inzake Afghanistan (1988) en in 1993-1994 werkzaam in Tadzjikistan voor de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE). Zijn academische graad behaalde hij als filosoof en hij doctoreerde in de Perzische cultuur- en taalwetenschappen. Hij was onderzoeksdirecteur van het Centre National de la Recherche Scientifique in Frankrijk en is verbonden aan het European University Institute in Florence. In Frankrijk is hij een van de opinieleiders in het debat over de aanpak over het jihadisme. Hij vindt de religieuze component uiterste belangrijk om te begrijpen, maar stelt tegelijk dat ze ‘gekaapt’ wordt (via psycho-sociale mechanismen zeer verwant aan die van sektes) door de leiders van IS. Het geeft de extremisten de kans hun nihilisme te verkopen als een paradijsbelofte. Zowel ter bestrijding als ter voorkoming moet hier volgens hem met dit feit rekening worden gehouden. De in het eerste hoofdstuk genoemde Gilles Képel ziet dat heel anders.

Meer info over deze cantate vindt u hier.  Maar dit spoor hoeft u nu niet te vervolgen. In dit essay is Bach die musiceert in Weimar enkel een opstapje naar een verhaal over hoe de bevrijdingsgedachte (het ‘Exodus’ motief) de (kerk)geschiedenis van West-Europa heeft getekend.

Duits-Amerikaans theoloog (1886-1965). Volgens hem was religie de dieptedimensie van de menselijke cultuur en gaat het dus over God als mensen bezig zijn met wat hen ten diepste aanbelangt: The Ultimate Concern, The Ground of Being. Heidegger is nooit ver weg. In de drie delen van zijn Systematic theology (1951-1963; 3 dln.) zet hij  zijn theologische zijnsleer (ontologie) uiteen, waarbij hij theologie en filosofie ineenknoopt. In deel 1 brengt hij die essentiële en dus onoplosbare spanning op een drievoudige noemer: Freedom & Destiny, Dynamics & Form, Individiualisation & Participation. In die spanning moet een mens leven, het volhouden: The Human Predicament. En dat is goed, want beide polen hebben elkaar nodig. Zo wordt de mens wie hij is. Niet slecht gezien van Tillich.

Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout zijn kracht verliest, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden. Gij zijt het licht der wereld. Een stad, die op een berg ligt, kan niet verborgen blijvenOok steekt men geen lamp aan en zet haar onder de korenmaat, maar op de standaard, en zij schijnt voor allen, die in het huis zijn. Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken.
(Fragment uit de zogeheten Bergrede van Jezus. Evangelie naar Mattheüs, hoofdstuk 5, verzen 13-16)

De ware dienst aan God (godsdienst, eredienst) wordt in het Nieuwe Testament door de apostel Paulus vergeleken met ‘het ware offer’. Zo wordt dus de ware religie een ‘Gode welgevallig offer’ (Romeinen 12) en dus een ‘welriekende reuk‘ in Gods neusgaten (Efeze 5). Hier de Schriftplaatsen:

Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst. (Romeinen 12, 1). Weest dan navolgers Gods, als geliefde kinderen, en wandelt in de liefde, zoals ook Christus u heeft liefgehad en Zich voor ons heeft overgegeven als offergave en slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk(Efeziërs 5, 1-2)

Franz Daniel Pastorius (1651-ca. 1720) werd geboren in een welgestelde familie uit Sommerhausen. Hij studeerde rechten aan de universiteit van Altdorf, Straatsburg en Jena. Hij begon een rechtspraktijk in Bad Windsheim. Na een conflict verhuisde hij naar Frankfurt am Main. In 1683 werd Pastorius de agent van een groep ondernemers uit Frankfurt (de ‘Saalhof-piëtisten’), om een stuk land in Pennsylvania te verwerven en klaar te maken voor verdere exploitatie. In opdracht van dze Frankfurter Land Compagnie reisde hij via Rotterdam naar London, nam een optie op 20.000 acres en vertrok. Eens in Philadelphia aangekomen, ontmoette hij William Penn en verwierf het grondgebied van wat ‘Germantown’ zou worden (nu een wijk in Philadelphia). Zelf hoog opgeleid (‘homo universalis’), werd hij al snel de burgervader van dit kleine settlement en zette zowel de civiele, juridische als educatieve infrastructuur op poten. Zijn brieven aan het thuisfront (Sichere Nachricht, Umständige Beschreibung) zijn bedoeld om immigranten te overtuigen, maar wijken af van het genre door hun tamelijk ‘eerlijke’ weergave van het leven aldaar. Ook de beschrijvingen van (autochthone) bevolking, landschap, cultuur, zijn nog steeds interessant. Pastorius’ naam is verder nog verbonden met de eerste petitie tegen de slavernij in 1688, gericht aan een vergadering van Quakers. Ook als dichter (Latijn) en als spreekwoordenverzamelaar (the Bee-hive) heeft hij een zekere naam.

meer in deze post, of op de Engelse wikipediapagina.

Referentie: de grondige en vernieuwende studie van John Weaver, Franz Daniel Pastorius and Transatlantic Culture: German Beginnings, Pennsylvania Conclusions (Potsdam, 2013). Zowel PDF als POD: https://www.pastorius.info/

OVERZICHT

(in dit verhaal – essay 3, the Great Migration – gaat het over de kleine strook aan de Noord-Westkust : Massachusetts):

Europese settlements in Noord-Amerika ca. 1650

INGEZOOMD:

New England settlements ca. 1640

De STEDEN waarvan sprake zijn rood-omcirkeld. Ook de namen van de autochtone bewoners staan erbij:

Salem, Boston, Providence, Plymouth

Overzichtskaart 1685 (Amsterdam, 1685, Visser-Schenk jr.) met de Nederlandse namen. Daaronder ingezoomd op Philadelphia (de eerste stad met een typisch Amerikaanse plattegrond). Grotere afbeeldingen op de aparte post: http://religie.wursten.be/kaart-van-de-nieuwe-wereld-1685/

 

 

Fascinerend is in dit opzicht de beroemde Mappamundi van Pierre Desceliers (1550). Cartografisch is deze top of the notch, maar de verklarende teksten zijn nog even legendarisch als de Middeleeuwse fantasiekaarten.

wereldkaart 1550 desceliers
Mappa Mundi van Pierre Desceliers (ca. 1550)

Voor meer info deze post

Europa en Amerika zitten nog aan elkaar vast

gastaldi forlani
Wereldkaart. Venetië, Forlani 1565 (naar Gastaldi 1546)

 

Europa en Amerika zijn gescheiden

Ortelius wereldkaart
Ortelius, Antwerpen 1570

Maurice Merleau-Ponty (1908-1961).

Filosoof, in wiens denken de waarneming een fundamentele rol speelt in ons begrijpen van de wereld. Hij hoort dus bij de fenomenologische school (Husserl, Heidegger). Hij valt op doordat hij bewust het gesprek (ook kritisch) zoekt met de wetenschappen, en wel vooral met de psychologie. In een latere fase van zijn denken gaat de lichamelijkheid van de mens hierin een grote rol spelen. Volgens Merleau-Ponty is het lichaam namelijk het eerste en belangrijkste middel dat de mens heeft om de wereld te (ver)kennen. Hiermee slaat hij duidelijk een andere weg in dan de klassieke filosofische traditie, die het bewustzijn als vertrekpunt van kennis nemen. Deze nadruk op de lichamelijkheid (of breder: ‘het lichamelijk in de wereld zijn’) betekende dat Merleau-Ponty de fenomenologie eigenlijk verdiepte tot ze als het ware een indirecte ontologie werd. Zie hiervoor vooral zijn postuum gepubliceerde werken, Le Visible et l’invisible (1964) en L’Œil et l’esprit (1960).

further reading: het lemma in Stanford Encyclopedia of Philosophy