Religie niet meer vanzelfsprekend

Het einde van de vanzelfsprekendheid van de kerk

Religie is altijd met duizenden vezels verbonden met het menselijk leven (cultuur, maatschappij, politiek). Tot niet zo lang geleden was de kerk versmolten met de samenleving. Het ging om een geheel van handelingen, rituelen, ingebed in het dagelijks leven, die vooral communaal werden beleefd. Gewoon meedoen was het motto. Het was niet perse een diepe overtuiging van de privépersoon, maar werd georganiseerd, van betekenis voorzien en gelegitimeerd door de kerk. Die was daar natuurlijk voor bevoegd. Of ze dat ook echt was, en hoe dat precies zat, dat was een vraag die je niet stelde. Het was gewoon zo. Op die kerk viel veel aan te merken, maar ze had binnen Europa geen concurrentie. Kortom: de cultus zoals zij was gegroeid viel samen met de algemene cultuur. Religie was een cumulatieve culturele traditie, organisch gegroeid met een oorsprong die in de nevelen van de geschiedenis gehuld is, maar in de oorsprongsmythe rechtstreeks teruggeleid word tot de stichter: Jezus Christus. Deze societas christiana was heel divers en kleurrijk, de regionale verschillen waren groot, maar overal was ‘the body social [= het sociale weefsel], the body politic [= de bestuurlijke instelingen] and the body of Christ [= de kerk] so closely intertwined as to be inseparable’.1 Deze religie was dus ‘onbewust’ en ‘ongereflecteerd’, zat overal in en doorheen en hoefde ook niet echt gelegitimeerd te worden. Enkel een selecte groep, een elite, theologen hield zich met de definities en de modaliteiten bezig. Godsdienstige kwesties, zoals er rond Luther eentje aan het licht kwam, zijn dus of interne twisten tussen theologen en blijven daartoe beperkt, of – als ze buiten de universiteit komen – exploderen ze in het gezicht van de kerk. Ketterijen zijn niet alleen kerkbedreigend, maar ook dynamiet onder de samenleving. Alles is met alles verbonden. De ketter is the enemy within. Zijn vroegtijdige opsporing en onschadelijkmaking is van eminent maatschappelijk belang. Scheurt de kerk, barst ook de samenleving. Dat is nog steeds zo, zij het minder opvallend: openbare twisten over godsdienst tornen ook vandaag nog aan het weefsel van de samenleving. In Luthers tijd was dat exponentieel het geval. Ook was een conflict dat daaruit voortkwam niet te isoleren van de samenleving om beheerst te laten uitbranden. Er is immers geen aparte categorie ‘religie’ beschikbaar om dat te doen. Men kan het conflict niet afzonderen van de rest van de cultuur en de samenleving. Wat een moderne beschouwer dus licht over het hoofd ziet, is dat door te raken aan het ene (bijv. een bepaald ritueel, een instituut, een gebruik) ook al het andere in beweging komt, zeker als de discussie op straat komt. Precies dus wat er in Luthers dagen gebeurde.

Bewust geloven

Een ander belangrijk aspect van de christelijke religie prae-Luther is de mate van ‘onbewustheid’ van deze stand van zaken. Juist omdat de cultus (religie in engere zin) volledig ingebed was in de cultuur (zoals het leven geordend is, zoals het gaat, zoals het hoort), denkt men er niet over na. Waarom zou men? Een vis is zich ook niet bewust van het water waarin het zwemt, tot het buiten de viskom belandt. Tot voor enkele generaties was dit in de moderne tijd niet wezenlijk anders. Als je in een dorp in Vlaanderen opgroeide was je vast rooms-katholiek. Daar dacht je niet over na. Dat was je. Het werd je met de paplepel ingegoten, beter nog: met de moedermelk kreeg je het al mee. En je ging naar de mis, liep mee in processies, stak de tong uit naar de priester bij het ontvangen van de hostie en huiverde bij de verhalen over de hel. En in Holland was je waarschijnlijk protestant en kreeg je het hele pakket dat daarbij hoort ook vanzelf mee. Daar dacht je niet over na. Dat was gewoon zo. Voor het nadenken had je de pastoor of de dominee (of nog beter: de theologen in Leuven of Leiden – of Utrecht of Groningen, want bij protestanten moet je altijd meteen ook weer intern splitsen). De gewone mens leerde z’n catechismus, niet van binnen maar van buiten. Dat was genoeg. Geestelijke voormannen betreurden dit maar het was gewoon zo. De klacht over de geringe inhoudelijke betrokkenheid op de kerk en haar geloofsinhoud, is zo oud als de kerk. Kortom: geloven in God was vanzelfsprekend, evenzo de identificatie van die God met de toevallig in jouw leven aanwezige kerk. Over religie dacht je niet na, het was iets waaraan je meedeed en wat je al of niet intens beleefde. Of protestantser gezegd: hoe belangrijk je het geloof eigenlijk achtte. Ook de organisatie van het sociale, culturele en politieke leven hing hiermee samen, maar opnieuw, ook over die link en hoe dat dan werkte en of dat allemaal wel klopte, daar brak je je hoofd niet over. Het was gewoon zo. Je plooide of je botste, veranderen kon je het toch niet. Er was geen alternatief (behalve verhuizen, naar de grote stad misschien, waar je anoniem kon leven, en waar al vaak een min of meer levensbeschouwelijk plurale samenleving bestond). Degenen die veel met religieuze zaken bezig waren, werden door de kerkelijke leiding liefst in een vroeg stadium gedetecteerd en als het even kon in het eigen kader ingelijfd. Naast het kenmerk van heiligen was teveel met religie bezig zijn immers ook een eigenschap van ketters. Dit beeld is gechargeerd, ik weet het, het doet de vele positieve inspanningen om ‘de leken’ te betrekken bij de dienst aan God geen recht, alsmede het authentieke engagement van velen in de kerk, maar het is belangrijk om te beseffen dat zo’n wereld, waarin de kerk is ingebed en dus macht heeft – gewoon omdat het verweven is met de rest van de cultuur – staat of valt met de vanzelfsprekendheid van die stand van zaken.

Contestaties kunnen daar gemist worden als kiespijn. Machthebbers, wereldlijke en geestelijke, hebben een hekel aan dwarsliggers, vragenstellers, zeker als ze maar blijven doorvragen. Welnu, contesteren, vraagtekens plaatsen, dat is precies wat Luther deed. En hij was er goed in. Hij deed het spits en scherp en was niet gauw tevreden. En hij vroeg door en nam onaangename gevolgen op de koop toe. Daarbij hield hij wel van consequent doorredeneren. Der Konsequenz leidde niet zum Teufel maar tot God, was zijn overtuiging. Kortom: hoe langer je Luther aan het woord liet, hoe minder vanzelfsprekend alles werd. Van de legitimiteit van sommige kerkelijke gewoontes (aflaten), ging het al snel over het gezag van de kerkelijke bedienaars (in het bijzonder de ‘dienaar aller dienaren’, de paus) en voor men het goed en wel doorhad werd het hele sacramentele heilsinstituut van de kerk ‘in vraag gesteld’, en schudde de kerk op haar grondvesten. Logisch dat velen meenden dat Luther gestopt moest worden. Dit zou leiden tot anarchie. Het was immers niet alleen kerkbedreigend, maar – juist omdat de kerk met al haar vezels verbonden was met de samenleving – ook staatsgevaarlijk, riskant voor het ‘het samenleven van mensen’, de samenleving. Recht en slecht liep dooreen bij de noodremprocedures die er vanuit het establishment opgestart werden. Gemiste kansen te over, maar dàt men reageerde, was begrijpelijk. De samenleving stond op het spel. Dat is ook zo gebleken te zijn, want hoe meer zijn gedachten zich begonnen te verspreiden, hoe groter de sociale onrust en politieke spanning in Europa werd. Ik zeg niet dat dat Luthers schuld is, maar ook al is correlatie niet causatief, het dient je wel aan het denken te zetten. Tussen 1518 en 1520 nam hij, zo zagen wij, stapsgewijs afstand van de standaardantwoorden en steeds meer begon hij de bijbel los te maken uit de kerkelijke traditie en als een ‘scheermes van Ockham’ te gebruiken om de kerkelijke leer te dissecteren. Zijn geschriften gingen als zoete broodjes over de toonbank, in genre variërend van grofgebekte aanvallen op de paus en zijn trawanten (in het Duits), stichtelijke werken (Duits en Latijn), theologische tractaten, kerkelijke instructies en diepgravende theologische studies (Latijn). In universiteiten, kloosters, broederschappen, kerken, pastorieën, bisschoppelijke paleizen, gerechtelijke raadskamers, politieke gremia, en – last but not least – in veel doodgewone gezinnen, barstte de discussie los. Luthers opvattingen vonden weerklank met name in Noordwest Europa. Daar verloor de bestaande kerk vervolgens verrassend snel haar vanzelfsprekendheid en dus haar gezag. Hiermee belandde de Westerse kerk in een identiteitscrisis en ging de samenleving mee onderuit. Ten gronde discussiëren over religie is spelen met vuur, want het raakt aan de grondslagen van de samenleving. Ze worden niet langer ‘for granted’ genomen, letterlijk: als toegekend van hogerhand, godswege. Met name Luthers theologische methode (terugkoppeling naar de bijbel) bleek zeer effectief als kritisch principe.

De paus als antichrist

Door de bestaande kerk het recht om zichzelf ‘kerk’ te noemen, te ontzeggen, zette Luther de zaak op scherp. Als je de paus de antichrist noemt, en het Vaticaan het hoofdkwartier van satan, dan roep je daarmee al je ‘volgers’ op om op z’n minst geestelijk afstand te nemen van die kerk. En na enig aarzelen, besloot hij om de geestelijke emigranten ook een reëel alternatief te bieden, en de eerste schets die hij daarvoor uitwerkte was opnieuw revolutionair en trendsettend. God werkte – aldus Luther – helemaal niet door een sacramenteel instituut via een aparte geestelijke stand, maar door ‘het woord’ (letterlijk, performatief) en die werking was persoonlijk. Zo had hij het zelf ervaren en zo was het dus (vond Luther). De bijbel is genoeg, een woord is genoeg, maakt niet uit wie dat woord uitspreekt, als het maar bijbels gerelateerd is. Daar gaat de clerus, ze zijn niet meer nodig. Volgens Luther kan ieder mens voor een ander mens ‘priester’ worden. Voortaan ligt het geestelijk gezag niet in de wijding, maar in een boek dat beschikbaar is voor iedereen. Als Luther over de bijbel spreekt als over een viva vox evangelii dan meent hij dat letterlijk: Bij een goede lezing van de Heilige Schrift, en die veronderstelt volgens Luther ook altijd exegetisch onderzoek, geschiedt het evangelie, dat wil zeggen, wordt de blijde tijding verkondigd met goddelijk gezag. Dan spreekt God live zijn genadewoord tot de mensen. De ‘Dienaar des Woords’ is dan ook het enige ambt dat Luther overhoudt. In z’n eerste aanzet tot vernieuwde kerkopbouw is geen priester of bisschop te bekennen. De geloofsgemeenschap is zelf bevoegd om de dienaar aan te duiden en kan die ook beoordelen, want ze heeft toegang tot de bijbel.2 Dit is Luther op z’n principieelst. Hiermee morrelt hij aan de sacrosancte basisstructuur van de laatmiddeleeuwse maatschappij, die immers drie standen kende, elke met een eigen plaats en rol (adel, clerus, volk). Als je één van de pijlers wegneemt, wordt het gebouw instabiel. Luther trekt zich er niets van aan en publiceert zijn ideeën over de kerk ook gewoon in het Duits, zodat ze toegankelijk zijn voor alle christenen. Pas als zich her en der gemeenschappen beginnen te vormen, waarin personen het voortouw nemen die zich ‘profeten’ noemen, en die vervolgens dingen beginnen te verkondigen die Luther helemaal niet bevallen, maar waarvan zij zeggen dat zij die nochtans in de bijbel hebben vernomen, plooit Luther terug op een meer geordend kerkmodel. En als er dan tot overmaat van ramp ook nog een sociale revolutie volgt waarbij achtergestelde boeren zich ook op de bijbel en op Luther beroepen en vervolgens in opstand komen tegen de grondeigenaars (de ‘Boerenopstand’, 1525), dan roept hij, zij het met pijn in het hart (want Luther had op zich een sterk sociaal rechtvaardigheidsgevoel) de wereldlijke overheden te hulp. Hij kent hen het recht toe de opstand neer te slaan en dat is dan meteen ook hun plicht. De gevolgen waren afgrijselijk. Voordien had hij ook al aan de ‘Duitse adel’ het recht en de plicht toegekend om de eredienst te organiseren. Ook een noodgreep (om kerkelijke wildgroei met wortel en tak te kunnen uitroeien), en eveneens met verstrekkende gevolgen. Als de kerk, i.c. de bisschop, faalt, mag en moet de wereldlijke overheid het bestuur en het toezicht op de kerk overnemen, meent Luther. Welnu, de overheid heeft die taak er graag bijgenomen. Ze aasde daar al de hele middeleeuwen op. Nu kon ze dat ‘onrustig ding’ dat religie was, eindelijk eens domesticeren. Ze kon kerkleiders aanduiden, kerkelijke goederen en gronden onteigenen etc. Vervolgens heeft ze ook niet geaarzeld om de kerk voor haar eigen karretje te spannen. Logisch, politici zijn met politiek bezig. Door de toppositie in het kerkelijk bestuur zo gemakkelijk uit handen te geven, heeft Luther wel een forse wissel op de toekomst genomen, die hem trouwens ook niet door allen in dank is afgenomen. De latere calvinistische reformatiepoging is onafhankelijker en staat-kritischer gebleven. Het eindresultaat van het Lutherse alternatief voor de katholieke kerk is paradoxaal. De revolutionaire kerk neemt de vorm aan van een quasi bisschoppelijke staatskerk. Ze lijkt daarmee als twee druppels water op de kerk die Luther zo fundamenteel heeft gekritiseerd en wier constructie hij als principieel fout heeft afgewezen. Verwarrend, maar dit mag ons het zicht erop niet benemen, dat Luthers visie in aanzet ongelooflijk anti-institutioneel was, om niet te zeggen anarchistisch, radicaler dan de meeste bewegingen die in de theologische literatuur onder de noemer ‘radicale reformatie’ worden geklasseerd en die Luther tot zijn ergste vijanden rekende.

Het is dan ook niet verwonderlijk, dat – als deze gevolgen zichtbaar beginnen te worden – een aantal van Luthers collega’s en vooral veel kerkelijke leiders en vorsten, na aanvankelijke sympathie, terughoudender worden in hun steun, dan wel zich van Luther afkeren. Zijn optreden is te wild en leidt tot meer dan een breed gedragen kritiek op kerkelijke praktijken en leerstellingen (daarin wilden ze wel meegaan). Ze begonnen Luthers’ démarches te zien als een aanval op de kerk (het instituut) zelf. En dat was het dus ook. Alister McGrath noemt Luthers opvatting dat iedere mens andermans priester kan worden niet voor niets Christianity’s dangerous idea. Heeft Luther op organisatorisch terrein al snel eieren voor zijn geld gekozen (uitbesteed aan de wereldlijke overheid), wat zijn Schriftprincipe betreft heeft hij nooit water in de wijn gedaan. De kerk kwam in een totale identiteitscrisis terecht, doordat Luther middels dat principe alles wat men als vanzelfsprekend aannam, van vraagtekens begon te voorzien. De kerk die zichzelf zag, definieerde, beleefde en legitimeerde vanuit een lange en complexe traditie kreeg hier te maken met een alomvattende en fundamentele kritiek. Luther ontkende glashard dat de kerk zoals die door paus en bisschoppen werd aangestuurd ‘kerk’ was. Ze was integendeel een duivelswerk en volgens Luther is de duivel nooit origineel. Hij is de aap van God. Hij is een meester in het perverteren van iets dat in se goed is. Het hele register van kritiek dat in het vorige hoofdstuk voor categorie 4 (heidendom, afgoderij) werd gebruikt, wordt door de protestantse stroming met even veel vuur en nog meer creativiteit toegepast op de rooms-katholieke kerk en haar personeel. De mis werd een duivelse poppenkast om het volk te misleiden, de paus veranderde in de antichrist, een term die bij Luther systematisch gebruikt wordt vanaf 1520. Cartoons, vlugschriften, geïllustreerde smaadschriften maken het beeld compleet. Het gewone volk, jan met de pet, doet mee. Als Luther naar Worms moet trekken om voor de keizer te verschijnen in 1521 is het een triomftocht. Overal waar hij komt staan de mensen langs de kant van de weg en juichen hem toe. Pastoors nodigen hem uit om te preken. Mensen proberen hem zelfs aan te raken, als was hij een heilige. Als de dag na zijn veroordeling, Luthers redevoering in druk verschijnt, is in één van de uitgaven een afbeelding van Luther opgenomen, waarin een duif boven zijn hoofd zweeft en een aureool minstens wordt gesuggereerd. Ook het reformatorische bloed kruipt waar het niet gaan kan. In de pers van de andere partij gaat men vervolgens op exact dezelfde wijze tegen Luther tekeer, met gebruikmaking van dezelfde middelen. Luther als een zevenkoppig monster, een wellustige monnik, zoon van een moeder die tijdens een heksensabbat door de duivel verwekt. Enfin, u kunt het zelf wel verder invullen. Het is duidelijk. Er is geen sprake van dat deze twee ‘kerken’ naast elkaar zouden kunnen bestaan. Het is of-of. De religieuze identiteiten die ontstaan, zijn hard, gesloten en mutually exclusive. De uitkomst is bekend: Na veel inkt- en nog meer bloedvergieten volgt er meer dan eeuw later een Europa-brede boedelscheiding, waarbij de religie van de vorst bepaalt welke religie het volk openlijk mag belijden. Luther had zich daar al een eeuw eerder bij neergelegd. Zijn volgers niet allemaal, met name de navolgers uit het kamp van Jean Calvin niet. Zij kwamen met een organisatievorm voor de gelovigen, een ondergrondse kerk, die na verloop van tijd ook het recht van opstand tegen de wereldlijk heerser claimde. Op grond van de bijbel, dat spreekt voor zich – maar zie infra. Eens de geest uit de fles, krijg je ’m er niet meer zo gemakkelijk in.

Voetnoten

  1. Barbara B. Diefendorf, Beneath the Cross: Catholics and Huguenots in Sixteenth Century Paris (New York: Oxford University Press, 1991), p. 48.
  2. Titel van een boekje uit 1523: Daß eine christliche Versammlung oder Gemeinde Recht und Macht habe, alle Lehre zu urteilen und Lehrer zu berufen, ein- und abzusetzen, Grund und Ursache aus der Schrift.

Auteur: dwursten

theoloog, historicus, en inspecteur/pedagogisch begeleider voor het godsdienstonderwijs in Vlaanderen.