Religie wordt een identiteitskwestie

Een nieuwe identitaire definitie van religie

De démarche van Luther heeft grote gevolgen heeft gehad voor de wijze waarop de christelijke religie zichzelf is gaan definiëren. Let wel, hiermee zeg ik niet dat de beleving van de meeste christenen fundamenteel veranderd zou zijn. Ik vermoed dat dat juist wel meevalt (of tegenvalt, het hangt er maar van af hoe je het bekijkt). Ik heb hierboven niet voor niets een schets van Vlaanderen van nog geen eeuw geleden kunnen gebruiken als voorbeeld voor de ‘vanzelfspekendheid van een in de cultuur ingebedde religiebeleving’. En het verhaal van Scherpenheuvel geeft ook duidelijk aan dat er tamelijk sterk gestuurd wordt door de geestelijke en wereldlijke overheid  (de clerus en het aartshertogelijk paar). Wat er in elk geval wel veranderd is, is de manier waarop religie ‘verschijnt’ in het publieke domein, hoe ‘erover gepraat wordt’. Als een postmodern denker avant la lettre had Luther het hele kerkelijke bouwwerk gedeconstrueerd met behulp van de bijbel en dat had hij zo grondig gedaan dat het instituut zich na afloop opnieuw moest construeren en dat ook volijverig gedaan heeft en welk als een confessionele identiteit. Gechargeerd gezegd: kon je voor Luther nog ‘gewoon lid zijn van de club en meedoen’ zonder veel vragen te stellen, na Luther moest iedereen antwoord kunnen geven op de vraag: ‘wat geloof je?’ En omdat de individuele toe-eigening van de geloofsinhouden te wensen overliet, viel die vraag grotendeels samen met: ‘Bij welke kerk hoor jij?‘. Als antwoord kon je of zelf de geloofsinhoud ongeveer weergeven (je had de catechismus goed geleerd) of je kon verwijzen naar een religieuze professional, maar ook die zou dan ‘catechismus-achtig’ antwoorden, dat wil zeggen. Die zou de set of beliefs opsommen. En minstens zo belangrijk: Je moest ook weten welke verwerpelijke dingen de anderen geloven. Ook dat stond netjes in de catechismus, al dan niet in kleinere letters. De afwijzing van de ander was deel van jouw religieuze identiteit. En dit over en weer, en binnen de protestantse beweging nog eens in het oneindige herhaald, om zich af te grenzen ten opzichte van elkaar. Mensen gaan dus ‘catechismus-achtige’ antwoorden geven als ze gevraagd worden naar hun geloof. Dat ik hier nu het woord ‘geloof’ gebruik als synoniem voor ‘religie’ of ‘godsdienst’ is hiervan zelf een symptoom. Naast catechismi verschenen er ontelbare leerboeken, waarbij elk punt duidelijk uiteengezet werd en voorzien van de nodige argumenten. Het gevolg was dat de aandacht in alle confessies al snel van innovatief taalkundig bijbelonderzoek en bijbelse theologie (Luthers geliefde onderzoeksterrein, dat hij ongaarne verliet) overging naar systematische theologie. De bijbel werd een boek vol bewijsplaatsen om de leerstellingen eigen aan de confessie in kwestie mee te kunnen onderbouwen. Men kon er andersdenkenden mee om de oren slaan. Universitaire opleidingen specialiseerden zich in theologische twistkunde. De scholastieke handboeken die Luther had verbrand samen met de pauselijke bul, stonden binnen één generatie al weer terug in studiezaal, ook bij de protestanten. En nog voor de zestiende eeuw uit is, is er al een nieuwe  Lutherse scholastiek ontstaan. Polemieken beheersen de religieuze markt. De verschilpunten worden opgezocht en in het debat natuurlijk nog eens extra aangescherpt. De grens tussen orthodoxie en ketterij werd door elke partij steeds scherper getrokken. Middels populariserende handboekjes werden deze inzichten ook verspreid en zozeer gemeengoed in gebieden waar de diverse confessies dicht op elkaar leefden, dat een rooms-katholieke visitator in Duitsland ooit eens moet hebben verzucht, dat ‘sommige boeren de 10 verschilpunten beter kenden dan de 10 geboden’ (Kaplan, 40).

De mutually exclusive religious identities worden dus steeds geslotener en religie lijkt ook steeds meer samen te vallen met een set of beliefs die wel/niet aanvaard wordt. De christelijke religie wordt dus al discussiërend omgevormd tot een ‘welbepaalde opvatting over het geloof, met een daarop gebaseerde praktijk, die individueel dient te worden beaamd en in hoofdlijnen gekend.’ Alle kerken formuleren in de loop van de zestiende eeuw nauwkeurig hun opvattingen over het geloof. Aanvaarding van de set of beliefs lijkt de kern van de christelijke religie te zijn. Deze gaat zeker in de protestantse tak ervan gepaard met een sterk accent op de kennis ervan (daar wordt hard aan gewerkt, maar ook altijd over geklaagd. ‘t  lukt blijkbaar maar moeilijk), en na verloop van tijd ook steeds nadrukkelijker, de persoonlijke beleving ervan. In rooms-katholieke streken is dit aspect nu ook belangrijk voor de identiteit, maar blijft ook altijd nog dat andere accent prioritair: de deelname aan sacramenten en de devotie. Na het concilie van Trente steeg de verering van Maria naar ongekende hoogte. Omdat religie en cultuur, the body social, en the body politic en the body of Christ, nog steeds met elkaar verweven zijn, betekent dit dat de elkaar uitsluitende religieuze identiteiten eigenlijk niet met elkaar kunnen samenleven. Mocht er al eens door een gril van het lot (meestal een politiek feit) in één stad of landstreek verschillende varianten van de christelijke religie toch allebei aanwezig zijn, dan zocht men naar pragmatische oplossingen om de ‘kwestie’ zo te regelen dat de spanningen beheersbaar bleven. Altijd is hierbij de pacificerende en regulerende rol van de wereldlijke overheid essentieel. Kerkelijke voormannen zijn de meest weerspannige als er een compromis gevonden moet worden om dit mogelijk te maken. Veelzeggend. Zulke compromissen kunnen erin bestaan dat men toestaat dat de ‘anderen’ ter kerke gaat net over de grens, of dat men eigen vieringen mag organiseren op een welbepaalde afstand buiten de stadsmuur, of dat men min of meer oogluikend toestaat dat er samenkomsten plaatsvinden in ‘schuilkerken’ (zo in de Nederlanden en – moeizamer – ook in Vlaanderen). Soms komt het – verrassend – zelfs tot het delen van hetzelfde kerkgebouw. Simultaneum heette dit. Vanaf 1548 is dit een bijna ononderbroken traditie in onder meer Biberach am Riss (Baden-Württemberg), natuurlijk niet uit vrije wil, maar op uitdrukkelijk bevel van keizer Karel V, die hiermee de rooms-katholieke minderheid in bescherming nam tegen de overgrote protestantse meerderheid (Kaplan, 198). Omdat de vrede van Augsburg qua religieuze opties de ‘status quo’ bevroor, bleef deze noodmaatregel van kracht. Men ‘verdraagt’ elkaar dus, als het echt niet anders kan. Intolerantie is de norm, ‘tolereren’ de uitzondering. Het valt alle partijen moeilijk om te accepteren dat er mensen zijn die in die andere ‘kerk’ (maar het is geen kerk!) zullen leven en sterven volgens de leer die daar geleerd wordt. Hun ziel gaat verloren. Daar kan men zich toch nooit bij neerleggen. En over en weer klinkt anathema sit … ‘vervloekte afgoderij’, schismatieken, ketters, anti-christ! De kerken nieuwe stijl, konden dus niet echt co-existeren, maar omdat geen van allen er in slaagde de ander(en) van de aardbodem te laten verdwijnen, betekende dit dat men aan het eind van de rit wel een vorm van religieuze pluraliteit moest accepteren. Onder dwang, niet van harte. Bij de pacificatie van de conflicten (1648-1650) werd het religiebegrip – in de lijn van de ‘framing’ – gedefinieerd als, beperkt tot, ‘een set of beliefs met de daarbij horende rituelen’. De religieuze discussie werd zo buiten de politiek geplaatst. Alleen zo kreeg men ‘de geest terug in de fles’. Onder de hoofding van gewetensvrijheid wordt religie naar de privéwereld verwezen. Daar gold een exercitium religionis privatum. In het openbare leven is er vervolgens theoretisch maar één religie per territorium (land, staat, vorstendom, vrijstad): cuius regio, eius religio. Europa wordt een lappendeken van confessioneel onderscheiden gebieden: living apart together. Tolereren van elkaar aan de grens: Good fences make good neighbours. Waar er toch een significant grote groep mensen van een andere confessie leeft op het grondgebied van de een, ontstaan er vormen van ‘pragmatische tolerantie’ (toleration, not tolerance), maar de ‘staat van oorlog’ blijft bestaan – minus de wapenen. Tot ver in de achttiende eeuw blijven er vormen van gewelddaden tegen andersgelovigen, hetzij incidenteel (Calas-affaire), hetzij verdrijving van hele groepen (Hugenoten in Frankrijk, Lutheranen in Oostenrijk, Waldenzen in Savoie), soms met verplichte achterlating van kinderen. Zo ziet de christelijke religie er dus uit als ze de moderne tijd ingaat. En zo is ze gebleven tot – nog niet zo heel lang geleden. De voortschrijdende secularisering deed de kerk maatschappelijk verschrompelen en de impact van de officiële leer op de leden navenant afnam. De confessionele ruzie was er op papier nog wel, maar de meeste ‘kerkleden’ begonnen die langzamerhand zelf belachelijk te vinden. Blijkbaar was de leer belangrijker voor theologen en kerkleiders, dan voor veel gewone gelovigen. Hun religieuze identiteit was veel breder, diffuser ook.

Niet de kerk hervormd, maar de religie in de crisis

De Hervormingsbeweging leidde niet tot een reformatie van de kerk maar tot een reformat of religion: Voortaan gaat het over een set of beliefs, persoonlijk beleefd, gelegitimeerd door een verwijzing naar voor buitenstaanders oncontroleerbare kennisbronnen.

Het religiebegrip dat uit de crisis van de kerk tevoorschijn is gekomen domineert tot op de dag van vandaag onze visie op en omgang met de diverse religieuze fenomenen die in onze samenleving voorkomen, hoe over religie gepraat wordt. Essentieel voor ‘religie’ is dan een set of beliefs die door de ‘aanhangers’ min of meer wordt gekend en door een instituut wordt gesystematiseerd (interne consistentie). Dat instituut moet ook liefst een juridisch duidelijke organisatievorm hebben. De fysieke en materiële bestaansgrond van zo’n religie is gelegen in de toelating ervan door de wereldlijke overheid. In de tijd waarover wij spraken, betekende dit meestal dat de overheid die religieuze variant van het christendom verplicht stelde voor elke staatsburger. Men was na de vrede van Munster/Westfalen (1648-1650) wel vrij in z’n geweten om die set of beliefs al dan niet te aanvaarden, maar wilde men burgerrechten hebben, dan moest men zich – minstens uitwendig – conformeren aan de heersende religie. Dit is het bekende principe van Cuius regio, eius religio. Het was in 1555 in Augsburg al de slotsom van de eerste godsdienstoorlog geweest, maar daarna toch weer ter discussie gesteld, met woorden en geweld. Na 1648 werd dit principe algemeen en past dus op de situatie in grote delen van Europa. De grote uitzondering was Frankrijk, waar in bepaalde welomschreven gebieden het ook toegestaan was een andere religie, i.c. de protestantse, te hebben. Was men uit zo’n gebied afkomstig, had men in het hele land burgerrechten. Met de herroeping van het edict van Nantes in 1682 conformeert de zonnekoning zich eigenlijk gewoon aan de Europese norm. De andere uitzondering was de Nederlandse Republiek, waar de Protestantse religie wel de geprivilegieerde was, maar lidmaatschap niet verplicht was. Te denken gevend is de verbluffend hoge graad van niet bij de ‘Hervormde of Gereformeerde kerk der Verenigde Nederlanden’ aangesloten burgers in de zeventiende eeuw. Tegelijk kreeg de Nederlandse Republiek hierdoor ook de status van ‘vrijhaven’ voor elders verdrevenen. De tolerantie (ook hier ‘toleration, not tolerance’) van andere religies neemt daar dan ook sneller concrete vormen aan en gaat gelijk op met het nadenken over of er toch niet zoiets als ‘godsdienstvrijheid’ mogelijk zou zijn. Daarover in het volgende hoofdstuk meer.

Een tweede aspect dat door het optreden van Luther aan het begrip ‘religie’ is gaan kleven is dat de bijbel, het heilige boek van de christelijke religie, veel meer aandacht kreeg dan voordien. Hiermee is het onderzoek naar de tekst en interpretatie van de bijbel (taalkundig, uitlegkundig, historisch) voorgoed verbonden met op z’n minst de christelijke religie. Ook de rooms-katholieke kerk deed hier volop aan mee, ook al bleef zij naast de bijbel ook de Traditie als geloofsbron in ere houden. In het ‘openbare gesprek’ over religie speelt dat boek en de daarnaar verwijzende leer (set of beliefs) altijd een hoofdrol. Het is zelfs zo dat in discussies de theologen en exegeten zozeer de boventoon voerden, dat bijna iedereen na verloop van tijd bijna vanzelf van mening werd dat de belangrijkste kant van het geloof toch wel de geloofsovertuiging was en dat de rituele kant (de belevingskant) eigenlijk slechts bestaansrecht had als het ‘vanuit die overtuiging’ te motiveren viel. Ook katholieke auteurs gingen in het vuur van de polemiek mee met deze opvatting. De term ‘religie’ schoof in dat debat op in de richting van dat uitwendige, zichtbare aspect, waarbij de term ‘geloof’ dan het innerlijke, echte, zou aanduiden, de kern waarom eigenlijk gaat (vond men). Nogmaals een signaal, hoezeer de protestantisering van de christelijke religie in het Nederlandse taalgebied is doorgedrongen. Iets soortgelijks geldt voor de Verenigde Staten van Amerika. Het deed – zo zegt men – de briljante katholieke apologeet, G.K. Chesterton, ooit verzuchten ‘that in America even the Catholics are protestant’.

Tenslotte heeft het sterke accent op de persoonlijke ervaring van Gods genade de poort geopend naar een meer subjectieve opvatting en beleving van religie. Luthers nadruk op de fides qua , het geloof waarmee je je het heil toe-eigent, is hierin een belangrijk moment geweest. Hiermee zat Luther echter in een beweging van verinnerlijking die al sinds de late Middeleeuwen de wind in de zeilen had. Dat de algemene tendens tot individualisering en de romantische fascinatie voor de persoonlijke beleving, dit element versterkt hebben, spreekt voor zich. Dit accent maakte het mogelijk dat de diplomaten in 1648-1650 de religie deels konden losmaken van het communale leven en naar de ‘huiskamer’ konden verwijzen (privatim). Daar was vrijheid van godsdienst nu een feit. De lijn van intense persoonlijke beleving (Luther) naar individualisering en privatisering van godsdienst is zeker geen rechte lijn, maar kan toch met enig recht getrokken worden.

Wij zijn zo vertrouwd met deze drie aspecten van de (christelijke) religie (set of beliefs, referentie naar een boek, persoonlijke beleving), dat we het risico lopen dat we denken dat deze wel algemeen van toepassing zullen zijn op alles wat met religie te maken heeft. En zelfs als we in theorie weten dat dat eigenlijk niet zo is, dan nog bepaalt deze visie op religie onze perceptie (of niet-perceptie) van religieuze uitingen. De Hervormingsbeweging rond Luther mag dan niet geslaagd zijn in een reformatie van de ene kerk in een betere versie van zichzelf, maar is wel – per ongeluk – geslaagd in een reformat van het verschijnsel religie.

Auteur: dwursten

theoloog, historicus, en inspecteur/pedagogisch begeleider voor het godsdienstonderwijs in Vlaanderen.

Der Aufbruch

Ich befahl mein Pferd aus dem Stall zu holen. Der Diener verstand mich nicht. Ich ging selbst in den Stall, sattelte mein Pferd und bestieg es. In der Ferne hörte ich eine Trompete blasen, ich fragte ihn, was das bedeutete. Er wusste nichts und hatte nichts gehört. Beim Tore hielt er mich auf und fragte: »Wohin reitet der Herr?« »Ich weiß es nicht«, sagte ich, »nur weg von hier, nur weg von hier. Immerfort weg von hier, nur so kann ich mein Ziel erreichen.« »Du kennst also dein Ziel«, fragte er. »Ja«, antwortete ich, »ich sagte es doch: ›Weg-von-hier‹ – das ist mein Ziel.« »Du hast keinen Eßvorrat mit«, sagte er. »Ich brauche keinen«, sagte ich, »die Reise ist so lang, daß ich verhungern muß, wenn ich auf dem Weg nichts bekomme. Kein Eßvorrat kann mich retten. Es ist ja zum Glück eine wahrhaft ungeheure Reise.«

Franz Kafka, Erzählungen aus dem Nachlaß (1904-1924)

[Der Aufbruch, met vertaling en kort commentaar]

Alors n’admettant plus d’autorité visible
Chacun fut de la foi, censé juge infaillible 
Et sans être approuvé par le clergé romain
 
Tout protestant fut pape, une Bible à la main.

Nicholas Boileau, Satire XII, sur l’équivoque

proeve van vertaling: 
Wanneer uitwendig gezag niet meer wordt geaccepteerd,
 
vindt elkeen zich qua geloof onfeilbaar en geleerd.
 
En zonder approbatie door de geestelijke stand
 
wordt elke protestant een paus met de bijbel in zijn hand
.

Over Scherpenheuvel een excurs in hoofdstuk 2, over hoe deze magische ‘eik’ tot een ‘Mariaburcht’ werd omgevormd. Afbeeldingen en korte historie in een aparte post.

diesseitig = op het aardse leven gericht

voor de Hollandse lezers: spijkers

Ik verzeker jullie: al wat jullie op aarde bindend verklaren zal ook in de hemel bindend zijn, en al wat jullie op aarde ontbinden zal ook in de hemel ontbonden zijn. Mattheüs 18, vers 18

En ik zeg je: jij bent Petrus, de rots waarop ik mijn kerk zal bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet kunnen overweldigen. 19 Ik zal je de sleutels van het koninkrijk van de hemel geven, en al wat je op aarde bindend verklaart zal ook in de hemel bindend zijn, en al wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn.’  Mattheus 16:18-19

‘Onze Lieve Heer op zolder’ is de negentiende eeuwse naam van de schuilkerk die de rooms-katholieken in de zeventiende eeuw inrichtten op de zolder van een groot (gecombineerde) herenhuis aan de Amsterdamse Oudezijds Voorburgwal. Van binnen een kerk, van buiten niets bijzonders te zien.

In het Nederlands: ‘En Ik zal een plaats aanduiden voor mijn volk, voor Israel, en het planten, zodat het op zijn eigen plaats kan wonen, die ze nooit meer zullen moeten te verlaten.’

Philadelphia is ook de naam van een van de zeven gemeenten in Klein-Azië, waaraan de ‘engel van de Heer; een brief zendt in het visioen van de ziener van Patmos, beter bekend als ‘de openbaring aan Johannes’, of ‘de Apocalyps’. Van de zeven steden is Philadelphia de enige waarvan enkel goede punten naar voren worden gehaald.

“When in the Course of human events, it becomes necessary for one people to dissolve the political bands which have connected them with another, and to assume among the powers of the earth, the separate and equal station to which the Laws of Nature and of Nature’s God entitle them, a decent respect to the opinions of mankind requires that they should declare the causes which impel them to the separation.”

In de negentiende eeuw was dit nog een neutrale term, misschien gevoelsmatig eerder afgeleid van sequi (volgen) dan van secare (scheiden). Een correcte vertaling lijkt me ‘stroming’.

Aux États-Unis, lorsqu’un homme politique attaque une secte, ce n’est pas une raison pour que les partisans mêmes de cette secte ne le soutiennent pas; mais s’il attaque toutes les sectes ensemble, chacun le fuit, et il reste seul. Pendant que j’étais en Amérique, un témoin se présenta aux assises du comté de Chester (État de New York) et déclara qu’il ne croyait pas à l’existence de Dieu et à l’immortalité de l’âme. Le président refusa de recevoir son serment, attendu, dit-il, que le témoin avait détruit d’avance toute la foi qu’on pouvait ajouter à ses paroles. Les journaux rapportèrent le fait sans commentaire.

“J’ai dit plus haut que je considérais les mœurs comme l’une des grandes causes générales auxquelles on peut attribuer le maintien de la république démocratique aux États-Unis. J’entends ici l’expression de mœurs dans le sens qu’attachaient les Anciens au mot mores; non seulement je l’applique aux mœurs proprement dites, qu’on pourrait appeler les habitudes du cœur, mais aux différentes notions que possèdent les hommes, aux diverses opinions qui ont cours au milieu d’eux, et à l’ensemble des idées dont se forment les habitudes de l’esprit. Je comprends donc sous ce mot tout l’état moral et intellectuel d’un peuple.”

Al de Schrift is van God ingegeven en kan dienen tot onderricht, om fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een deugdzaam leven. Tweede brief van Paulus aan Timotheüs, hoofdstuk 3, vers 16

Eén van de header-images van het jubileumnummer van Vogue (125 jaar).
De verwijzing stond in Het Nieuwsblad van 3 april 2017

Peter Berger (1929-2017) was een invloedrijk godsdienstsocioloog. Zijn boek uit 1967 The Sacred Canopy vestigde zijn naam op dit terrein. In dit boek combineerde hij de secularisatiethese van Weber met zijn eigen visie op religies als ‘sociale constructies’. Al snel zag hij de blikvernauwing. In de jaren 1990 stelde hij dat Moderniteit leidt tot pluraliteit (als feit) op religieus terrein en dus tot de vaststelling dat men niet meer op dezelfde manier religieus kan zijn als vroeger, nl. vanzelfsprekend. Dit kan vervolgens zowel tot relativitering als tot fundamentalisering van het religieuze leiden. Secularisatie is dan een optie (Europa), maar geen dwingend gevolg.

Lees iets meer op deze post

“Pour connaître et juger une société, il faut arriver à sa substance profonde, au lien humain dont elle est faite et qui dépend des rapports juridiques sans doute, mais aussi des formes du travail, de la manière d’aimer, de vivre et de mourir.”

Merleau-Ponty, Humanisme et terreur, p. X

“Alors que tout dans la politique comme dans la connaissance montre que le règne d’une raison universelle est problématique, que la raison comme la liberté est à faire dans un monde qui n’y est pas prédestiné, ils préfèrent oublier l’expérience, laisser là la culture, et formuler solennellement comme des vérités vénérables les pauvretés qui conviennent à leur fatigue.” (Merleau-Ponty, humanisme et terreur, p. xxxvii-xxxviii) NB : Het is 1947.

“Men moet bij dit volk de tempels van hun afgoden volstrekt niet verwoesten, maar alleen de afgodsbeelden, die daarin zijn. Dan moet men wijwater gereed maken om de heiligdommen daarmee te besprengen, altaren bouwen en daarin relikwieën plaatsen. Want als deze tempels goed gebouwd zijn, moeten zij veranderd worden van cultusplaatsen der demonen tot de dienst van de ware God. Als dan het volk zelf ziet dat zijn tempels niet verwoest worden, kan het zijn dwaling van harte afleggen, de ware God erkennen en aanbidden en naar oude gewoonte samenkomen op de vertrouwde plaatsen … Want het is beslist onmogelijk, dat men voor hun grove zielen ineens alles afsnijdt, omdat immers hij, die de hoogste top wil beklimmen zich trapsgewijs, stap voor stap, maar niet met sprongen omhoogwerkt.”

(brief aan abt Melitto, opgenomen in Beda’s geschiedenis van Engeland).

Giles Képel, La Revanche de Dieu. Chrétiens, juifs et musulmans à la reconquête du monde (1991)

Meine Gesellschafft bestund auß vielerley Sort Leuten / da war ein D. Medicinae mit seinem Weib und 8. Kindern / ein Frantzos. Capitain / ein Niederteutscher Kuchenbecker / ein Apothecker / Glaßblaser / Maurer / Schmidt / Wagner / Schreiner / Küfer / Hutmacher / Schuster / Schneider / Gärtner / Bauern / Näderinnen / &c. in allem etlich und 80. Personen / ausser dem Schiffvolck. Solche nun sind nicht nur ihrem Alter (massen unsere älteste Frau 60. Jahr / das jüngste Kind aber nur 12. Wochen alt waren) und nunerwehnten Handthierung nach unterschieden / sondern auch so differenten Religionen und Wandels / daß ich die Schiff / welche sie anhero tragen / nicht unfüglich mit der Archen Noä vergleichen könte / wofern nicht mehr unreine / als reine (vernünfftige) Thier darinnen befindlich. Unter meinem Gesinde habe ich / die es mit der Römischen / mit der Lutherischen / mit der Calvinischen / mit der Widertäufferischen / und mit der Englischen Kirche halten / und nur einen Quäcker. (geciteerd bij Weaver, p. 303)

Deel 1: Religie, een genealogisch onderzoek

God is terug van (nooit) weggeweest. Daar is iedereen het over eens. Maar hoe je zijn presentie in het publieke domein nu moet duiden, is een andere zaak. Een lastige ook, omdat meer en meer mensen hun god willen dienen op een manier die andere mensen niet bevalt. In dit essay vragen ons waar dat toch vandaan komt, die ‘religieuze kwestie’, een genealogisch onderzoek naar religie dus.

https://dick.wursten.be/janleyerseffect.htm

Bij palmbomen legt men een zware steen in de kruin. Hierdoor groeien ze rechter omhoog en worden steviger. ‘Tegen de verdrukking in groeien’.

José de Acosta, Historie Naturael…
Titelpagina van de 2de druk van de Nederlandse vertaling (1624)


Olivier Roy (1949) is van de meest vooraanstaande kenners van de islam in Europa. Hij was jarenlang verbonden aan het Franse Centre National de la Recherche Scientifique. Voordien was hij adviseur van de Verenigde Naties inzake Afghanistan (1988) en in 1993-1994 werkzaam in Tadzjikistan voor de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE). Zijn academische graad behaalde hij als filosoof en hij doctoreerde in de Perzische cultuur- en taalwetenschappen. Hij was onderzoeksdirecteur van het Centre National de la Recherche Scientifique in Frankrijk en is verbonden aan het European University Institute in Florence. In Frankrijk is hij een van de opinieleiders in het debat over de aanpak over het jihadisme. Hij vindt de religieuze component uiterste belangrijk om te begrijpen, maar stelt tegelijk dat ze ‘gekaapt’ wordt (via psycho-sociale mechanismen zeer verwant aan die van sektes) door de leiders van IS. Het geeft de extremisten de kans hun nihilisme te verkopen als een paradijsbelofte. Zowel ter bestrijding als ter voorkoming moet hier volgens hem met dit feit rekening worden gehouden. De in het eerste hoofdstuk genoemde Gilles Képel ziet dat heel anders.

Meer info over deze cantate vindt u hier.  Maar dit spoor hoeft u nu niet te vervolgen. In dit essay is Bach die musiceert in Weimar enkel een opstapje naar een verhaal over hoe de bevrijdingsgedachte (het ‘Exodus’ motief) de (kerk)geschiedenis van West-Europa heeft getekend.

Duits-Amerikaans theoloog (1886-1965). Volgens hem was religie de dieptedimensie van de menselijke cultuur en gaat het dus over God als mensen bezig zijn met wat hen ten diepste aanbelangt: The Ultimate Concern, The Ground of Being. Heidegger is nooit ver weg. In de drie delen van zijn Systematic theology (1951-1963; 3 dln.) zet hij  zijn theologische zijnsleer (ontologie) uiteen, waarbij hij theologie en filosofie ineenknoopt. In deel 1 brengt hij die essentiële en dus onoplosbare spanning op een drievoudige noemer: Freedom & Destiny, Dynamics & Form, Individiualisation & Participation. In die spanning moet een mens leven, het volhouden: The Human Predicament. En dat is goed, want beide polen hebben elkaar nodig. Zo wordt de mens wie hij is. Niet slecht gezien van Tillich.

Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout zijn kracht verliest, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden. Gij zijt het licht der wereld. Een stad, die op een berg ligt, kan niet verborgen blijvenOok steekt men geen lamp aan en zet haar onder de korenmaat, maar op de standaard, en zij schijnt voor allen, die in het huis zijn. Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken.
(Fragment uit de zogeheten Bergrede van Jezus. Evangelie naar Mattheüs, hoofdstuk 5, verzen 13-16)

De ware dienst aan God (godsdienst, eredienst) wordt in het Nieuwe Testament door de apostel Paulus vergeleken met ‘het ware offer’. Zo wordt dus de ware religie een ‘Gode welgevallig offer’ (Romeinen 12) en dus een ‘welriekende reuk‘ in Gods neusgaten (Efeze 5). Hier de Schriftplaatsen:

Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst. (Romeinen 12, 1). Weest dan navolgers Gods, als geliefde kinderen, en wandelt in de liefde, zoals ook Christus u heeft liefgehad en Zich voor ons heeft overgegeven als offergave en slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk(Efeziërs 5, 1-2)

Franz Daniel Pastorius (1651-ca. 1720) werd geboren in een welgestelde familie uit Sommerhausen. Hij studeerde rechten aan de universiteit van Altdorf, Straatsburg en Jena. Hij begon een rechtspraktijk in Bad Windsheim. Na een conflict verhuisde hij naar Frankfurt am Main. In 1683 werd Pastorius de agent van een groep ondernemers uit Frankfurt (de ‘Saalhof-piëtisten’), om een stuk land in Pennsylvania te verwerven en klaar te maken voor verdere exploitatie. In opdracht van dze Frankfurter Land Compagnie reisde hij via Rotterdam naar London, nam een optie op 20.000 acres en vertrok. Eens in Philadelphia aangekomen, ontmoette hij William Penn en verwierf het grondgebied van wat ‘Germantown’ zou worden (nu een wijk in Philadelphia). Zelf hoog opgeleid (‘homo universalis’), werd hij al snel de burgervader van dit kleine settlement en zette zowel de civiele, juridische als educatieve infrastructuur op poten. Zijn brieven aan het thuisfront (Sichere Nachricht, Umständige Beschreibung) zijn bedoeld om immigranten te overtuigen, maar wijken af van het genre door hun tamelijk ‘eerlijke’ weergave van het leven aldaar. Ook de beschrijvingen van (autochthone) bevolking, landschap, cultuur, zijn nog steeds interessant. Pastorius’ naam is verder nog verbonden met de eerste petitie tegen de slavernij in 1688, gericht aan een vergadering van Quakers. Ook als dichter (Latijn) en als spreekwoordenverzamelaar (the Bee-hive) heeft hij een zekere naam.

meer in deze post, of op de Engelse wikipediapagina.

Referentie: de grondige en vernieuwende studie van John Weaver, Franz Daniel Pastorius and Transatlantic Culture: German Beginnings, Pennsylvania Conclusions (Potsdam, 2013). Zowel PDF als POD: https://www.pastorius.info/

OVERZICHT

(in dit verhaal – essay 3, the Great Migration – gaat het over de kleine strook aan de Noord-Westkust : Massachusetts):

Europese settlements in Noord-Amerika ca. 1650

INGEZOOMD:

New England settlements ca. 1640

De STEDEN waarvan sprake zijn rood-omcirkeld. Ook de namen van de autochtone bewoners staan erbij:

Salem, Boston, Providence, Plymouth

Overzichtskaart 1685 (Amsterdam, 1685, Visser-Schenk jr.) met de Nederlandse namen. Daaronder ingezoomd op Philadelphia (de eerste stad met een typisch Amerikaanse plattegrond). Grotere afbeeldingen op de aparte post: http://religie.wursten.be/kaart-van-de-nieuwe-wereld-1685/

 

 

Fascinerend is in dit opzicht de beroemde Mappamundi van Pierre Desceliers (1550). Cartografisch is deze top of the notch, maar de verklarende teksten zijn nog even legendarisch als de Middeleeuwse fantasiekaarten.

wereldkaart 1550 desceliers
Mappa Mundi van Pierre Desceliers (ca. 1550)

Voor meer info deze post

Europa en Amerika zitten nog aan elkaar vast

gastaldi forlani
Wereldkaart. Venetië, Forlani 1565 (naar Gastaldi 1546)

 

Europa en Amerika zijn gescheiden

Ortelius wereldkaart
Ortelius, Antwerpen 1570

Maurice Merleau-Ponty (1908-1961).

Filosoof, in wiens denken de waarneming een fundamentele rol speelt in ons begrijpen van de wereld. Hij hoort dus bij de fenomenologische school (Husserl, Heidegger). Hij valt op doordat hij bewust het gesprek (ook kritisch) zoekt met de wetenschappen, en wel vooral met de psychologie. In een latere fase van zijn denken gaat de lichamelijkheid van de mens hierin een grote rol spelen. Volgens Merleau-Ponty is het lichaam namelijk het eerste en belangrijkste middel dat de mens heeft om de wereld te (ver)kennen. Hiermee slaat hij duidelijk een andere weg in dan de klassieke filosofische traditie, die het bewustzijn als vertrekpunt van kennis nemen. Deze nadruk op de lichamelijkheid (of breder: ‘het lichamelijk in de wereld zijn’) betekende dat Merleau-Ponty de fenomenologie eigenlijk verdiepte tot ze als het ware een indirecte ontologie werd. Zie hiervoor vooral zijn postuum gepubliceerde werken, Le Visible et l’invisible (1964) en L’Œil et l’esprit (1960).

further reading: het lemma in Stanford Encyclopedia of Philosophy