Franciscus en de sultan

Het verhaal over de ontmoeting tussen Franciscus en de sultan, zoals de eerste biografen Thomas van Celano en Bonaventura het vertellen in hun ‘heiligenlevens’, is net zo historisch-legendarisch (d.w.z. waar èn niet waar tegelijk) als bijvoorbeeld het verhaal over Franciscus die de eerste Kerststal bouwde in Grecchio, of zijn preek tot de vogels. Fact and fiction dooreen. Romantisch moet men er niet over doen. Dat vermindert juist de zeggingskracht (vind ik).

Ze afdoen als pure verzinsels is ook onjuist. Er zit wel degelijk een feitelijk gebeuren onder. En dat literair-historisch-kritisch (d.w.z. de tekst lezen in zijn context) proberen bloot te leggen, is een interessante oefening. En ‘rewarding’ in dit geval, omdat er naast de hagiografieën ook nog twee andere getuigen zijn, die dicht op het gebeuren zitten. Dus het is waar-gebeurd: Franciscus is – in volle kruistochttijd – naar de ‘Saracenen’ gegaan tijdens de belegering van Damiate (Damietta, Dimyat, 1219 – 5de kruistocht) en heeft daar contact gezocht met de sultan. Jacques de Vitry ( bisschop van Akko/Acra, geliefd prediker en ter plekke aanwezig) vermeldt het als curieuze voetnoot in een brief van februari/maart 1220 (voor de liefhebber, hier de Latijnse tekst met Engelse vertaling). Hij vond het intrigerende mannen, die minderbroeders, maar het resultaat van hun overijverige actie stelde niet veel voor (modicum proficuit of profecit). In het tweede deel van zijn geschiedenis van de kruistochten (geschreven tussen 1223-1225) vermeldt hij het voorval opnieuw, maar nu een stuk positiever dan in z’n brief – Franciscus’ status is inmiddels gestegen en De Vitry’s waardering voor hem en zijn orde evenzeer. Wat beide beschrijvingen gemeen hebben is echter het slot: De ontmoeting eindigt met de sultan die in een privégesprek aan Franciscus vraagt om ‘voor hem te bidden om inzicht welke van de twee religies de ware zou zijn’. Dit is best voorstelbaar, al was het maar als beleefdheidsformule vanwege de sultan om van die vreemde armoedzaaier-monnik-evangelist af te zijn. Interessant is ook de Chronique d’Ernoul (zie de betreffende passage in de pagina over ‘de feiten’), die het verhaal vertelt van ‘twee geestelijken (‘clercs’) die voor de sultan wilden preken’. Geen van beide vermeldt mirakels, noch het verlangen om bloedgetuige te worden, zoals de officiële legenden (vitae), zie onder.

Tenslotte: Elke interpretatie van het gebeuren is ‘legende’. Letterlijk: legenda: hoe je een gebeuren moet lezen, een leeswijzer. Elk feit heeft dit nodig en hoe dat hier gebeurt, is zeer leerrijk.

De officiële legenda

De officiële legende is al snel na Franciscus’ dood vastgelegd (Thomas van Celano, de eerste biograaf-hagiograaf: 1228). Daarin suggereert niets het beeld van een pacifist avant la lettre. Franciscus spreekt zich daar ook niet uit tegen de kruistocht. Als dezelfde Thomas van Celano in zijn Memoriale (ook wel ‘tweede levensbeschrijving’ genoemd – Hier die tekst met context) nog een anecdote toevoegt, is de hoofdinhoud dat Franciscus een nederlaag van het kruisleger voorspelt. Hij treurt over de vele christelijke slachtoffers die gevallen zijn, omdat men zijn waarschuwing in de wind heeft geslagen. De ‘officiële legende’ schetst Franciscus dus niet als een moderne ambassadeur van de vrede, maar roept het beeld op van een man die met zijn leven wil getuigen van het evangelie van de drie-ene God en daarvoor het allerliefst zijn leven zou geven (het martelaarschap, bloed-getuige). Dáárom begeeft hij zich temidden van de ‘ongelovigen’ (dus buiten de christelijke wereld) inclusief de ‘Saracenen’ (moslims), in dit verhaal middels een preek/twistgesprek ten overstaan van de sultan. Volgens zijn medebroeder Thomas van Celano (eerst biograaf) is dat de reden voor zijn vurige wens om naar het levensgevaarlijke gebied van de ‘ongelovigen’ te trekken. Hij hoopt uitverkoren te zijn om martelaar te worden. De teksten laten hierover echt geen misverstand bestaan – zie onder. Het beeld van de ‘vredesapostel‘ is een moderne projectie (eigenlijk retrojectie), die in het Nederlandse taalgebied vooral door J. Hoeberichs is gepromoot. Meer hierover op een aparte pagina. Dat mag natuurlijk, en zijn bedoeling is loffelijk, zeker, maar ook feiten hebben hun rechten. De feiten heb ik verzameld op een aparte pagina, hier de teksten.

Hoofdstuk IX uit de legenda van Bonaventura heeft als titel: “Over zijn gloeiende liefde en het verlangen naar het martelaarschap” ( De fervore caritatis et desiderio martyrii). De episode speelt in Syrië (paragrafen 7,8 -NB, zou Egypte moeten zijn, maar ja geografie was niet het sterkste punt van de Middeleeuwers) en volgt op het verslag van hoe Franciscus in Spanje ternauwernood is ontsnapt aan de dood en met spijt in ‘t hart moet vaststellen dat God hem zijn wens om ‘martelaar’ te worden blijkbaar nog niet vergunt. Hij geeft echter de moed niet op. Hij besluit om naar de sultan te gaan. Daar zal die opzet toch zeker wel lukken (is de achtergrondgedachte).

Hieronder eerst het relaas uit de legenda maior (de uitgebreide levensbeschrijving) van Bonaventura. Onder de afbeelding treft u de Latijnse tekst aan. Daar ook de kortere versie van de hand van Thomas van Celano (de oudste Levensbeschrijving die we bezitten). Die wijkt inhoudelijk en qua motivatie niet af…

Bonaventura, Legenda Major,  IX, 7-8 (Nederlands)

IX, 7. Maar de gloed van zijn liefde bleef zijn geest aanzetten tot het martelaarschap; nog een derde keer ondernam hij een tocht naar het land van de ongelovigen om door het vergieten van zijn bloed het geloof in de drieëne God te verbreiden. In het dertiende jaar na zijn bekering ging hij namelijk nog eens naar Syrië en stelde hij zich vastberaden aan vele gevaren bloot om de sultan van Babylon persoonlijk te ontmoeten. Tussen de christenen en Saracenen woedde toen een zo meedogenloze oorlog dat het, hoewel de kampen van beider legers dicht tegenover elkaar lagen, van weerskanten onmogelijk was zonder levensgevaar van het ene kamp naar het andere te komen. De sultan had immers het wrede besluit uitgevaardigd dat wie hem het hoofd van een christen bracht, als beloning een Byzantijns gouden muntstuk zou ontvangen. Maar Franciscus, de onverschrokken ridder van Christus, liet zich niet afschrikken. Hij hoopte in de nabije toekomst het doel waarnaar hij met heel zijn hart verlangde, te kunnen bereiken. Zonder zich van de dreigende dood iets aan te trekken, besloot hij, ertoe gedreven door zijn verlangen voor Christus te sterven, op weg te gaan. En na eerst gebeden te hebben, zong hij, zijn kracht vindend in God, vol vertrouwen het woord van de psalmist: ‘Al moet ik door de diepste duisternis van de dood hen, ik zal geen onheil vrezen, want U bent altijd bij mij (Ps 23,4).’

8. Als metgezel koos hij een medebroeder uit, Illuminatus – de Verlichte – geheten, een in het licht van Gods genade levend, deugdzaam man, en ging met hem op weg. Op een gegeven moment kwamen ze twee schapen tegen. Die ontmoeting deed de heilige man veel plezier en vrolijk zei hij tot zijn metgezel: ‘Vertrouw op de Heer, broeder! Bij ons gaat immers het woord van het evangelie in vervulling: ‘Zie, Ik zend jullie als schapen onder de wolven (Mt 10,16).’ Toen ze wat verder voortgegaan waren, stootten ze op een troep hun tegemoetkomende Saraceense soldaten. Als razende wolven die een aanval deden op schapen, snelden dezen op Gods dienaren toe en overmeesterden ze hen op ruwe wijze. Hun wreedheid en verachting op hen botvierend beschimpten ze hen, bewerkten hen met zwepen en sloegen hen in boeien. En na hen danig toegetakeld te hebben en veel mishandelingen te hebben laten ondergaan, brachten ze Gods dienaren tenslotte – Gods voorzienigheid beschikte het zo – vóór de sultan; juist wat de man Gods had verlangd. Op diens vraag wie hen gezonden had, met welk doel ze gezonden waren, wat voor een zending ze hadden en hoe ze bij hem hadden kunnen komen, antwoordde Christus’ dienaar onverschrokken dat hij niet op bevel of met de hulp van een mens door de linies gekomen was, maar dat de allerhoogste God hem er doorheen had laten trekken om hem, de sultan en zijn volk de weg naar het eeuwig heil kenbaar te maken en het ware evangelie te verkondigen. En zo rustig en vastberaden, zo moedig en begeesterd sprak hij tot de sultan over de drieëne God en over Jezus Christus, de Zaligmaker van alle mensen, dat overduidelijk in hem bewaarheid bleek wat het evangelie zegt: ‘Ik zal jullie welsprekend maken en een wijsheid geven, die geen tegenstander zal kunnen weerstaan of weerspreken (Lc 21,15).’ Want toen de sultan de wonderbaarlijke begeestering en geestkracht van de man Gods zag, luisterde hij ook graag naar hem; hij drong er met nadruk bij Franciscus op aan bij hem te blijven. Maar Christus’ dienaar antwoordde
hem, op ingeving van God: ‘Als u zich met uw volk tot Christus wilt bekeren, zal ik uit liefde voor Hem graag bij u blijven. En als u er misschien tegenop ziet omwille van het geloof in Christus de wet van Mohammed af te zweren, laat dan een zeer groot vuur ontsteken; samen met uw priesters zal ik dat vuur ingaan, opdat u erachter zult komen aan welk geloof men zich terecht moet houden om zijn grotere zekerheid en heiligheid.’ In antwoord hierop zei de sultan tot hem: ‘Ik denk niet dat één van mijn priesters bereid is om dat vuur in te gaan of vrijwillig enige foltering te ondergaan om zijn geloof te verdedigen.’ Want hij had gezien hoe een van zijn priesters, een hoogbejaarde vertrouweling van hem, zich bij het horen van dat voorstel onmiddellijk uit de
voeten had gemaakt. Toen zei de heilige man: ‘Ik wil ook wel alleen door dat vuur gaan. Maar dan moet u mij wel, ook namens uw volk, beloven dat u en uw volk tot de christelijke eredienst zullen overgaan wanneer ik er ongedeerd uit zal komen. Mocht ik verbranden, geef dan de schuld aan mijn zonden; maar als Gods macht mij zal beschermen, erken dan dat Christus, Gods kracht en Gods wijsheid, waarachtig God is en Heer en Verlosser van alle mensen.’ De sultan zei hierop dat hij het niet waagde hierop in te gaan en eventueel de laatste keuze te moeten doen,
omdat hij dan een oproer van het volk vreesde. Wel bood hij de man Gods vele kostbare geschenken aan. De heilige echter, die niet op aardse bezittingen uit was, maar alleen verlangde zielen te redden, wees die geschenken vol verachting af als waren ze slijk. Toen de sultan zag hoe volkomen de heilige man al het aardse verachtte, was hij er zeer van onder de indruk en achtte hem daarom nog meer. En ofschoon hij zich niet tot het christelijk geloof wilde bekeren, of er misschien ook de moed niet toe had, toch vroeg hij de dienaar van Christus eerbiedig de geschenken aan te nemen en ze voor zijn zielenheil aan arme christenen of kerken te geven. Ook op dit verzoek van de sultan ging de man Gods niet in. Vooreerst wilde hij niets met geld – dat hij als een bezwaarlijke last beschouwde – te maken hebben. Maar verder zag hij ook in de ziel van de sultan niet het geringste zaad van een ware godvrezendheid. 

9. Ondertussen was het de man Gods wel duidelijk geworden dat hij met de bekering van dat volk niet de minste vorderingen maakte en dat hij ook het martelaarschap, waarvan hij zich veel voorstellingen had gemaakt, niet kon verwerven. Op ingeving van God keerde hij daarom weer naar het land van de gelovigen terug….

Giotto’s fresco nr.11 in de San Francesco te Assisi (rechts Franciscus met de vuurproef)

Franciscus en de sultan (Giotto)
Franciscus en de sultan (Giotto)

Bonaventura, Legenda Major,  IX, 7-8 (latijn)

Voor de liefhebbers van de originele tekst: hier de paragrafen uit de Legenda Major  IX, 7-8 die deze reis betreffen.

Caput IX ‑ De fervore caritatis et desiderio martyrii.

7.1 Verum caritatis ardore spiritum ipsius ad martyrium perurgente, tertia adhuc vice pro fide Trinitatis effusione sui sanguinis dilatanda versus infideles proficisci tentavit. 2 Tertiodecimo namque suae conversionis anno ad partes Syriae pergens, multis se periculis constanter exposuit, ut Soldani Babyloniae posset adire praesentiam. 3 Inter Christianos enim ac Saracenos tunc guerra tam implacabilis erat, exercituum castris hinc inde in campo cominus ex adverso locatis, ut via mutui transitus sine mortis discrimine non pateret. 4 Exierat siquidem a Soldano edictum crudele, ut quicumque caput alicuius Christiani afferret, Byzantium aureum pro mercede reciperet. 5 At intrepidus Christi miles Franciscus, sperans in proximo suum adipisci posse propositum, definivit iter arripere, mortis pavore non territus, sed desiderio provocatus. 6 Oratione namque praemissa, conforta­tus a Domino (cfr. 1Re 30,6), confi­denter illud propheticum decantabat: Nam et si ambulem in medio umbrae mortis, non timebo mala, quoniam tu mecum es (Ps 22,4).

8.1 Assumpto igitur socio fratre, Illuminato nomine, viro utique luminis et virtutis, cum iter coepisset, obvias habuit oviculas duas; 2 quibus visis exhilaratus, vir sanctus dixit ad socium: ‘Confide, frater, in Domino (cfr. Sir 11.22), nam in nobis evangelicum illud impletur: Ecce ego mitto vos sicut oves in medio luporum (Mat 10,16)’. 3 Cum autem processissent ulterius, occurre­runt eis satellites Saraceni, qui, tamquam lupi celerius accurrentes ad oves, servos Dei feraliter compre­hensos, crudeliter et contemptibiliter pertractarunt, afficientes conviciis, affligentes verberi­bus et vinculis alligantes. 4 Tandem afflictos multipliciter et attritos ad Soldanum, divina dispo­nente providentia, iuxta viri Dei desiderium perduxe­runt. 5 Cum igitur princeps ille perquire­ret, a quibus et ad quid et qualiter missi essent et quomodo advenissent, intrepido corde respondit Christi servus Franciscus, non ab homine, sed a Deo altissimo se fuisse transmissum, ut ei et populo suo viam salutis ostenderet et annuntiaret Evangelium veritatis. 6 Tanta vero mentis constantia, tanta virtute animi tantoque fervore spiritus praedicto Soldano praedicavit Deum trinum et unum et Salvatorem omnium Iesum Christum, ut evangelicum illud in ipso claresce­ret veraciter esse comple­tum: Ego dabo vobis os et sapientiam, cui non poterunt resistere et contradi­cere omnes adversarii vestri (Luc 21,15). 7 Nam et Soldanus admirandum in viro Dei fervorem spiritus conspiciens et virtutem, libenter ipsum audiebat (cfr. Mar 6,10) et ad moram contrahen­dam cum eo instantius invitabat, 8 Christi vero servus superno illustratus oraculo: ‘Si vis’, inquit, ‘converti tu cum populo tuo ad Christum, ob ipsius amorem vobiscum libentissime commorabor. 9 Quodsi haesitas propter fidem Christi legem Mahumeti dimittere, iube ignem accendi permaximum, et ego cum sacerdotibus tuis ignem ingrediar, ut vel sic cognoscas, quae fides certior et sanctior non immerito tenenda sit’. 10 Ad quem Soldanus: ‘Non credo, quod aliquis de sacerdotibus meis se vellet igni propter fidem suam defensandam exponere, vel genus aliquod subire tormenti’. 11 Viderat enim, statim quemdam de presbyteris suis, virum authenticum et longaevum, hoc audito verbo, de suis conspectibus aufugisse. 12 Ad quem vir sanctus: ‘Si mihi velis promittere pro te et populo tuo, quod ad Christi cultum, si ignem illaesus exiero, veniatis, ignem solus intrabo; 13 et si combustus fuero, imputetur peccatis meis, si autem divina me protexerit virtus, Christum, Dei virtutem et sapientiam, verum Deum et Dominum Salvatorem (cfr. 1Cor 1,24; Ioa 17,3; 4,42) omnium agnoscatis’. 14 Soldanus autem optionem hanc accipere se non audere respondit, quia seditionem populi formidabat. 15 Obtulit tamen ei multa munera pretiosa, quae vir Dei, non mundanarum rerum, sed salutis animarum avidus, sprevit omnia quasi lutum. 16 Soldanus, videns virum sanctum tam perfectum rerum mundialium contemp­torem, admiratione permotus, maiorem erga ipsum devotionem concepit. 17 Et quamvis ad fidem christianam transire nollet, vel forsitan non auderet, rogavit tamen devote famulum Christi, ut praedicta susciperet pro salute ipsius Christianis pauperibus vel ecclesiis eroganda. 13 Ipse vero, quia pondus fugiebat pecuniae et in animo Soldani verae pietatis non videbat radicem, nullatenus acquievit.

9.1 Videns etiam, se non proficere in conversione gentis illius nec assequi posse propositum (cfr. 2Tim 3,10), ad partes fidelium divina revelatione praemonitus remeavit…


Thomas van Celano, Vita prima XX, 57 (Nederlands)

in zijn vita prima vertelt Celano het niet veel anders (caput XX, 57) – hieronder in het Nederlands met context, d.w.z. het hele hoofdstuk. De reis naar Syrië in paragraaf 57.

Hoofdstuk XX Hoe hij in zijn vurig verlangen naar het martelaarschap eerst naar Spanje en daarna naar Syrië ging; en hoe God omwille van hem zeelieden redde door voor meer proviand te zorgen

55. In zijn vurige liefde tot God was de zalige Vader Franciscus er steeds op uit een heldhaftig strijder voor God te zijn. Edelmoedig, zonder bekrompenheid hield hij zich aan Gods geboden en begeerde hij de hoogste volmaaktheid te bereiken. In het zesde jaar van zijn bekering kwam bij hem een vurig verlangen op naar het martelaarschap. Hij wilde overvaren naar Syrië om aan de Saracenen en andere ongelovigen het christelijk geloof te preken en hen op te roepen tot boetvaardigheid. Hij ging dus scheep om daarheen te gaan, maar door tegenwind kwam hij met de overige opvarenden terecht in Slavonië. Teleurgesteld in zijn vurig verlangen vroeg hij korte tijd later enkele zeelui, die naar Ancona gingen, hem dan maar daarheen mee te nemen. In dat jaar kon immers zo goed als geen enkel schip de overtocht naar Syrië meer maken. Desondanks weigerden ze hardnekkig dit te doen, omdat hij geen geld had om te betalen. Toen stelde de heilige heel zijn vertrouwen op de goedheid van God en ging met zijn gezel als verstekeling aan boord. Buiten weten van allen kwam er echter op dat moment door de voorzienigheid van God iemand met de nodige levensmiddelen. Hij riep een godvrezend zeeman van het schip bij zich en zei: ‘Pak dit allemaal mee en geef het eerlijk in tijd van nood aan die arme verstekelingen op jullie schip.’ Tijdens de tocht stak er nu een hevig storm op en waren de zeelui gedwongen vele dagen lang met inspanning van al hun krachten te roeien. Ondertussen was heel hun voorraad levensmiddelen opgeraakt, alleen de voorraden van de arme Franciscus waren nog over. Die heeft God evenwel door de macht van Zijn goedheid zo vermeerderd, dat er tot aan hun komst in de haven van Ancona voor de behoeften van allen meer dan voldoende was. Toch hadden ze nog heel wat dagen te varen. De zeelieden begrepen nu, dat ze omwille van Gods dienaar aan de gevaren van de zee ontkomen waren. Ze dankten de almachtige God, Die zich ten opzichte van Zijn dienaren altijd bewonderenswaardig en liefdevol toont.
56. De dienaar van de allerhoogste God ging vervolgens aan land en trok rond. Als een ploeger scheurde hij het land met zijn woord, als een zaaier zaaide hij het levenszaad en werkte zo mee aan een rijke oogst van gezegende vruchten. Want dadelijk keerden zeer veel goede en geschikte mannen, geestelijken en leken, de wereld de rug toe en banden manmoedig de duivel uit. Omdat God het in zijn liefde wilde, volgden ze met inzet van hun hele persoon de man Gods om te leven zoals hij en hetzelfde doel te bereiken. Maar hoe groot de overvloed aan zeer uitgelezen vruchten ook was, die hij, de wijnstok uit het evangelie voortbracht, hij was niet tevreden. Hij had er nu eenmaal al zijn zinnen op gezet om martelaar te worden en zijn hevig verlangen om dat grootse plan te verwerkelijken werd er niet minder om. Zo kon het gebeuren, dat hij kort daarna weer op weg ging, nu naar Marokko, om de Sultan en zijn volgelingen het evangelie van Christus te verkondigen. En hij werd door zijn verlangen zo opgezweept en voortgejaagd, dat hij soms zijn reisgenoot in de steek liet en in een geestelijke roes voortsnelde om zijn plan maar zo spoedig mogelijk ten uitvoer te brengen. Maar de goede God wilde uit louter goedheid ook denken aan mij en vele anderen. Toen de heilige Vader als in Spanje was, keerde God Zich openlijk tegen hem. Hij liet hem ziek worden en maakte hem het verdergaan onmogelijk. Zo hield Hij hem van deze onderneming af.
57. Daarna keerde Franciscus terug naar de Santa Maria in Portiuncula. Korte tijd later voegden zich enige geleerden en een paar adellijke mannen bij hem, waar hij zeer erkentelijk voor was. Geestelijk hoogstaand en mensenkenner als hij was, ontving hij hen hoffelijk en op waardige wijze en gaf ieder de eer, waar hij recht op had. Hij was werkelijk bijzonder fijngevoelig, en vol begrip hield hij bij iedereen rekening met zijn rang en stand. Maar hij bleef onrustig. Steeds feller dreef zijn hartstochtelijk verlangen hem ertoe om zijn heilige plan uit te voeren. Hij moest en zou gaan! En in het dertiende jaar van zijn bekering ging hij weer naar Syrië. Wel werden er dagelijks hevige en verbitterde gevechten geleverd tussen de christenen en heidenen. Maar hij drong door en aarzelde niet met een gezel tot voor de ogen van de Sultan van de Saracenen te komen. Maar wie zou in staat zijn te vertellen, hoe rustig en onverschrokken hij voor de Sultan verscheen, hoe moedig hij tot hem sprak, hoe welbespraakt en vol zelfvertrouwen hij hun bespotting en beschimping van de christelijke leer pareerde? Immers voor hij bij de Sultan kon komen, hadden diens bentgenoten hem gegrepen, hem beschimpt en geslagen, maar hij liet zich niet afschrikken; ze hadden hem met folteringen bedreigd, maar hij werd niet bang; ook de bedreiging hem te zullen doden liet hem koud. Maar hoezeer hij ook door velen zeer vijandig en vol afkeer smadelijk behandeld was, de Sultan ontving hem zeer hoffelijk. Met alle mogelijke onderscheiding behandelde hij hem, hij bood hem veel geschenken aan en deed een poging hem waardering bij te brengen voor wat de wereld te bieden heeft. Toen hij echter zag, dat de man Gods onwrikbaar op zijn standpunt bleef staan en dat hij alles als mest bleef verafschuwen, vatte hij een grote bewondering voor hem op en keek naar hem als naar een man, zoals er geen tweede was. Zijn woorden maakten diepe indruk op hem en hij luisterde met graagte naar wat hij zei. Maar met dit al vervulde de Heer het vurig verlangen van de man Gods niet. Hij had voor hem een heel bijzondere uitverkiezing op het oog

Thomas van Celano, Vita prima XX, 57 (Latijn)

Nam tertio decimo anno conversionis suae ad partes Syriae pergens, cum quotidie bella inter christianos et paganos fortia et dura ingruerent, assumpto secum socio, conspectibus Soldani Saracenorum se non timuit praesentare. Sed quis enarrare sufficiat, quanta coram eo mentis constantia consistebat, quanta illi virtute animi loquebatur, quanta facundia et fiducia legi christianae insultantibus respondebat?
Nam primo quam ad Soldanum accederet, captus a complicibus, contumeliis affectus, attritus verberibus non terretur, comminatis suppliciiis non veretur, morte intentata non
expavescit. Et quidem licet a multis satis hostili animo et mente adversa exprobratus fuisset, a Soldano tamen honorifice plurimum est suceptus. Honorabat eum prout poterat, et oblatis muneribus multis, ad divitias mundi animum eius inflectere conabatur: sed cum vidisset eum strenuissime omnia velut stercora contemnentem, admiratione maxima repletus est et quasi virum omnibus dissimilem intuebatur eum;  permotus est valde verbis eius et eum libentissime audiebat (cfr. Mar 6,20). In omnibus his Dominus ipsius desiderium non implevit (cfr. Ps 126,5), praerogativam illi reservans gratiae singularis.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.